Blazoenen

Op de verjaardag van de zwaan was de kikker zo vrolijk dat hij riep: “Kijk eens!”, op de rug van de olifant klom en met zijn armen naar voren in de feesttaart dook.

Het was een deftige taart en de zwaan wilde juist een toespraak houden over de bijzondere aard van die taart en over zijn opvattingen over taarten in het algemeen, maar de taart spatte naar alle kanten uiteen. De kikker stak zijn hoofd omhoog en riep: “Wat een duik!”

De dieren knikten, veegden stukken taart van hun gezicht en keken naar de zwaan.

“Ik denk,” zei de zwaan, “dat jullie mijn verjaardag beter zonder mij kunt vieren. Ik ga op reis.” Hij spreidde zijn vleugels uit, steeg op en verdween achter de bomen.

“Het was toch een mooie duik?”, vroeg de kikker verbaasd.

Niemand zei iets. Zwijgend en vlug vierden ze de rest van de verjaardag van de zwaan, aten de overblijfselen van de taart op, maakten een paar haastige danspassen en gingen naar huis.

De volgende dag kreeg de kikker een brief van de zwaan:

Kikker

U hebt een smet op mijn blazoen geworpen.

De zwaan.

De kikker dacht: een smet... een smet op zijn blazoen... zo, zo, die heb ik dus geworpen.

Hij vond dat zeer bijzonder en vertelde het aan de egel, die een wandeling maakte langs het riet.

“Weet je wat ik heb gedaan, egel?”

“Nee”.

“Ik heb een smet geworpen.”

“Waarnaar?”

“Niet waarnaar. Waarop.”

“Waarop dan?”

“Op het blazoen van de zwaan”.

“O,” zei de egel. Een smet... dacht hij, waarom heb ik nog nooit een smet geworpen? Hij fronste zij voorhoofd en bleef staan. Ik heb helemaal nog nooit iets geworpen, dacht hij bitter.

Even later kreeg de kikker een nieuwe brief:

Beste kikker

Ik kom weer thuis. Ik ben niet boos meer.

Ik wil u gaarne vergeven

De zwaan.

Zo zo, dacht de kikker. Hij wil me dus vergeven. Ach...

De egel stond nog op dezelfde plaats en dacht over zijn eigen blazoen.

Ik heb een stekelig blazoen, dacht hij. Daar zie je toch niets op. Daarom werpt natuurlijk nooit iemand er een smet op. Hij zuchtte.

“Weet je wat de zwaan nu wil?”

vroeg de kikker.

“Nee,” zei de egel.

“Mij vergeven,” zei de kikker.

“O ja?” zei de egel.

“Ja!” riep de kikker en vrolijk kwakend dook hij in de rivier.

En mij? dacht de egel. Wil iemand mij vergeven? Waarom wil nooit iemand mij vergeven? Hij schraapte met één voet over de rulle grond. Natuurlijk, dacht hij. Omdat ik maar de egel ben.

“Ik ben maar de egel,” mompelde hij. “Ik ben maar de egel.” Hij had boos en verbitterd kunnen doorlopen.

Maar tot zijn verbazing liep hij vrolijk door. Want hij vond het plotseling heel bijzonder om maar de egel te zijn.

Niemand is maar de egel, dacht hij.

Alleen ik.