Vietnamese nomenklatuur remt hervorming

De Vietnamse economie groeide het afgelopen jaar met 9,5 procent. Vietnam wil zich zo snel mogelijk aansluiten bij de andere Aziatische tijgers. Die haast wordt getemperd.

HANOI, 20 FEBR. Directe investeringen in Vietnam nemen af terwijl het land tussen nu en 2000 zo'n 41 miljard dollar nodig heeft om de huidige economische groei te handhaven. Nu buitenlands krediet schaarser wordt en van de toegezegde buitenlandse fondsen (19 miljard dollar) slechts een kwart daadwerkelijk wordt besteed, vragen regering en buitenlandse investeerders zich af of de economische groei van gemiddeld 8,2 procent over de laatste vijf jaar wel te handhaven is.

Vietnam had vorig jaar een tekort op de lopende rekening van 4 miljard dollar. De ontwikkeling op het platteland waar 80 procent van de bevolking leeft, blijft achter en 51 procent van de bevolking op een totaal van 76 miljoen leeft onder de armoedegrens. Concurrentie op de wereldmarkt wordt moeilijker nu in het aangrenzende China goedkoper wordt geproduceerd met name in de textielindustrie en de landbouw.

De Amerikaanse economen Fjorde en De Vylder concluderen in hun recente studie 'De economische overgang in Vietnam' dat “bepaalde belangrijke groepen die achter de vroege economische hervormingen zaten aan het eind van de jaren tachtig zich vandaag aan de dag in een staat van zelfvoldaanheid bevinden. Een deel van de nomenklatura is bang dat zij privileges kwijt raakt.”

En Roy Morey, de vertegenwoordiger van UNDP (de ontwikkelingsorganisatie van de Verenigde Naties) in Hanoi zegt: “Er zijn hier structurele hervormingen nodig om de ontwikkeling op gang te houden en armoede verder uit te bannen. Die keus moet in de komende maanden worden gemaakt. Hanoi moet het hervormingsproces verbreden en verdiepen. De private sector moet meer aandacht krijgen van de staat en er moet een betere samenwerking komen tussen staats- en private sector. Anders komt er een groter gebrek aan evenwicht die de ontwikkeling kan vertragen of zelfs tot teruggang kan leiden.”

Voorlopig laat die beslissing over de richting van de ontwikkeling op zich wachten. De grootste klacht van potentiële investeerders is dat de ministeries onderling strijd voeren als er een project moet worden goedgekeurd. Onderzoek naar projecten duurt maanden en corruptie neemt toe.

Buitenlanders naar Vietnam uitgezonden verwachtten veel van het grote partijcongres dat vorig jaar juni werd gehouden. Maar oude mannen bleven in het zadel. De strijd tussen hervormers en rigide partijbonzen, die gedeeltelijk vasthouden aan een geleide economie, werd niet beslecht. Beide kampen slaagden er niet de richtingenstrijd te winnen.

Uit partijdocumenten die uitlekten naar Vietnamese groeperingen in het buitenland en via San Fransisco, Parijs of Toronto weer werden opgevoerd in het lokale debat blijkt dat de staatsbedrijven hun dominante positie moesten blijven behouden: 'staatsmanagement volgens de socialistische doctrine'. Er werd zefs een pleidooi gehouden om het aandeel van staatsbedrijven met name in de industrie en dienstverlening op te voeren van 40 naar 60 procent van het bruto nationale produkt.

Wereldbank en IMF daarentegen hebben Vietnam gewezen op het economisch belang de particuliere sector verder te ontwikkelen met name op het platteland en ook de spaarzin bij burgers te vergroten. Discrimatie ten opzichte van de particuliere sector om zo staatsbedrijven overeind te houden moet volgens de Wereldbank verdwijnen en regelgeving voor bedrijven in het algemeen tot een minimum beperkt. Ook moeten de tarieven worden verlaagd door de verplichting die Vietnam op zich heeft genomen bij de toetreding tot Asean. In 2003 mogen heffingen op importen uit Asean-landen nog slechts 5 procent bedragen.

Ook andere buitenlandse economen bepleitten dat staatsbedrijven worden geprivatiseerd en grote prestige projecten als olieraffinaderijen (in Dung Quat in het midden van het land en Nga Son in het noorden) worden afgeblazen. Door overcapaciteit in Azië kunnen zij straks niet tegen de prijs van importprodukten concurreren. “De regering heeft nog niet begrepen dat buitenlands kapitaal vooral aangewend moet worden voor de exportmarkt. Wil Vietnam blijven groeien dan moet het ook zelf voor valuta zorgen”, zegt een van hen.

Le Huy Con, vice-minister voor industrie is het niet met hen eens. Hij wil dat Vietnam hoge technologie aantrekt voor zijn ontwikkeling op het gebied van de chemische industrie, staalindustrie, communicatie en het verbeteren van de infrastructuur. “Dat zijn gigantische projecten en daarom moeten zij door de staat worden geïnitieerd. Daar kan je niet omheen. Dat is de reden dat de regering moet blijven leunen op staatsbedrijven ook al omdat de ontwikkeling van ons land eerlijk over de provincies moet worden verdeeld.”

Con erkent dat een van de remmende factoren bij de ontwikkeling van de economie corruptie is. “We zeggen zelf dat het bestaat. Ik beken het. Maar het is lang niet zo wijd verbreid als u en anderen denken. En we doen er wat aan. We willen dat staatswerknemers beter worden betaald zodat zij niet in de verleiding worden gebracht.”

“De overheid hinkt op twee gedachten. Je ziet ze er mee worstelen”, zegt de Nederlandse honorair consul Anton Bruijninckx in zijn kantoor aan de Rue Pasteur in het centrum van Ho Chi Minh stad, het vroegere Saigon.“Van de ene kant wil de regering het ideaal beeld van de staat, die alles regelt, niet zo maar laten vallen. Er heerst bij haar ook nog een flinke dosis achterdocht die vaak uit onbekendheid voortkomt. Soms wordt ze ook veroorzaakt door slechte ervaringen met investeerders die op avontuur uit waren en na enkele maanden al met hun snel verworven buit vertrokken. Maar van de andere kant ziet de regering heel goed in dat het aangewezen is op buitenlandse investeringen die hun eigen, ook politieke, dynamiek meebrengen,” zegt Bruijninckx.

Als hij dit voorjaar wordt overgeplaatst door ABN-AMRO zal Nederland in Ho Chi Minh Stad een volwaardig consulaat openen om de Nederlandse gemeenschap (200 mannen en vrouwen) bij te staan, vooral bij economische activiteiten. Dat gebeurt nu ook al maar na de herijking van het buitenlands beleid waarbij dit kabinet meer wil opkomen voor de specifiek Nederlandse vooral economische belangen, moet het consulaat worden uitgebreid met een diplomatieke staf uit Den Haag en het aantrekken van meer lokale mederwerkers.

Bruijninckx: “We moeten oppassen om nu ineens wat negatiever te worden over de economische ontwikkelingen hier. In het begin van de jaren negentig na de afkondiging van de Doi Moi, het hervormingsproces, rolden buitenlanders en teruggekeerde Vietnamezen, de Viet Khieu, hier over elkaar heen om het wonder mee te maken. Toen was het niet zo fantastische als het werd voorgesteld en nu is het niet zo verschrikkelijk.”

    • Willebrord Nieuwenhuis