Veranderingen zijn niet te sturen door blauwdrukken

Ruimte is een schaars goed. Zeker in Nederland. Het is daarom zaak de nationale ruimte zo doelmatig mogelijk te gebruiken. Klaas Groenveld vindt dat de overheid zich daartoe zo terughoudend mogelijk moet opstellen.

In essentie is het vraagstuk van de ruimtelijke ordening dus een economisch probleem. Het gaat om de efficiënte aanwending van een schaars goed. Liberalen zijn in de regel van mening dat allocatieproblemen het best kunnen worden opgelost via het marktmechanisme. De markt zorgt voor een betrekkelijk doelmatige afstemming van de vraag op het aanbod van schaarse goederen. In beginsel zou dat ook kunnen gelden voor ruimtegebruik. Het marktmechanisme geeft echter niet in alle gevallen optimale resultaten. Problemen ontstaan als we te maken krijgen met externe effecten. Hiervan is sprake indien de individuele keuzebeslissingen ingrijpende consequenties hebben voor de omgeving, de welvaart en het welzijn van anderen. Dat nu is vaak het geval bij keuzebeslissingen over gebruik van de ruimte. Het is om die reden dat de overheid intervenieert in dit allocatie- en ordeningsproces. Liberalen spreken in dit verband zelfs over een klassieke staatstaak. Ruimtelijke ordening behoort tot de kerntaken van de overheid.

Ruimtelijke ordening, de aanleg van fysieke infrastructuur ((vaar)wegen, openbaar vervoer (lucht)havens), landbouwbeleid, volkshuisvesting etc. zijn met elkaar samenhangende beleidsterreinen. De keuzevraagstukken die op deze terreinen bestaan, vergen informatie omtrent toekomstige, nauwelijks te beïnvloeden ontwikkelingen. De toekomst is echter per definitie onbekend, zodat een overheidsbeleid moet worden gebaseerd op hoogst onzekere veronderstellingen.

Met name met betrekking tot investeringen en infrastructuur als onderdeel van de ruimtelijke ordening geldt dat er soms decennia liggen tussen het moment van beslissen en het tijdstip waarop men daadwerkelijk gebruik gaat maken van de voorzieningen. Dit betekent dat de wetgever zich een beeld moet vormen van een ver weg gelegen toekomst. Het hoeft geen betoog dat de benodigde informatie hiertoe grotendeels ontbreekt.

In de toekomst vervagen de grenzen. Gegeven de dynamiek bestaat de samenleving steeds minder uit min of meer vaste categorieën, maar ontstaat er een rijk geschakeerd patroon dat voortdurend in beweging is. Omdat we door deze dynamiek steeds minder in staat zijn om op het juiste moment de ontwikkelingen mede vorm te geven, moeten we kiezen voor een strategie gericht op het maximaliseren van het maatschappelijk reactie- en leervermogen. Maar ook bij de vormgeving van een dergelijke beleidsstrategie is enig zicht op de toekomstige ontwikkelingen onontbeerlijk.

Voor het terrein van de ruimtelijke ordening is een viertal megatrends van betekenis:

1. Een technische ontwikkeling die heden ten dage volop in de belangstelling staat is de telematica-revolutie. Kenmerkend voor deze revolutie is de sterk toegenomen snelheid waarmee informatie kan worden gegenereerd en getransporteerd. Fysieke afstanden worden steeds minder een knelpunt als het gaat om het beschikbaar krijgen van informatie en het adequaat tot stand brengen van communicatie. In toenemende mate zal hierdoor signaaltransport in de plaats komen van fysiek transport. Hierdoor verdwijnt in een aantal economische sectoren de noodzaak de activiteiten in de ruimte te concentreren. Bij wijze van voorbeeld: er bestaat veelal niet langer de technische noodzaak om werknemers in de administratieve sector dagelijks bijeen te laten komen op een kantoor. Elke werknemer kan thuis (of waar dan ook) zijn werk doen en de communicatie laten verlopen langs de elektronische snelweg (telewerk). Deze ontmanteling van het kantoor kan vergaande ruimtelijke consequenties hebben. Een veel gelijkmatiger spreiding van de bevolking over het gehele Nederlandse grondgebied wordt waarschijnlijk. Omdat de locatie van de bedrijvigheid virtueel wordt (denkbeeldig, heeft geen fysieke betekenis meer), neemt de keuzevrijheid ten aanzien van de woonlocatie sterk toe.

In het verlengde van de deconcentratie van de produktie ligt een bepaalde vorm van decentralisatie van de produktie. Hiermee wordt bedoeld dat het werk niet alleen 'thuis' wordt gedaan, maar ook 'voor eigen rekening'. Dat wil zeggen dat de werknemer met een arbeidscontract verandert in een zelfstandige ondernemer die als toeleverancier in een freelance-relatie komt te staan tot de centrale (uitgedunde) onderneming. Als 'freelance ondernemer' kan de voormalige werknemer zijn diensten ook aanbieden aan derden. In plaats van geconcentreerde economische activiteit ontstaat aldus een netwerk van contractuele relaties met een veel grotere geografische spreiding. De keuzevrijheid met betrekking tot de vorm van de arbeidsrelatie is hiermee gediend.

2. In de context van een integrerende wereldmarkt en de vervolmaking van de Europese Unie is Nederland als geheel niet meer dan een regio. De nationale economieën worden steeds minder gesloten. Dit betekent dat veel bedrijven, gegeven de toenemende betekenis van schaalvoordelen, alleen nog maar kunnen concurreren door op mondiale schaal te produceren en te distribueren. Hierdoor zullen bedrijven zich bij de keuze van de locaties voor hun activiteiten steeds minder gebonden voelen door nabij gelegen markten. Voor Nederland betekent dit waarschijnlijk dat de activiteiten zich meer kunnen en zullen spreiden.

Indien de globalisering van de wereldeconomie doorzet, komt de door liberalen bepleite vrijmaking van de wereldhandel steeds dichterbij. Wereldmarktprijzen zullen dan gaan domineren. De prijzen van de Nederlandse landbouwprodukten zullen zeker verder dalen mede ten gevolge van het toenemende aanbod van landbouwprodukten uit Centraal-Europa. Een dalend rendement van de aanwending van cultuurgrond ten behoeve van de landbouw is dan het gevolg. De grondprijzen van de landbouwgrond zullen een trendmatige daling te zien geven. Het toenemende verschil tussen de grondprijs in het westen (Randstad) enerzijds en de grondprijs in het noorden, oosten en zuiden anderzijds zal leiden tot een reallocatie van het grondgebruik. Op langere termijn zal ook deze ontwikkeling bijdragen tot de deconcentratie en spreiding van activiteiten in Nederland. Landbouwgrond zal steeds meer worden aangewend voor woningbouw, recreatie en voor niet-agrarische economische activiteiten.

3. Heden ten dage zijn wij diep doordrongen van de noodzaak de schadelijke effecten van economische groei op het milieu sterk te beperken. Gestreefd wordt naar een zogenoemde duurzame ontwikkeling. Conform liberale opvattingen inzake de effectiviteit van overheidsbeleid, bepleiten wij een marktconform milieubeleid. Met een marktconform beleid wordt bedoeld dat men door financiële prikkels het gedrag van ondernemers en consumenten zodanig probeert te beïnvloeden, dat de uitkomsten van het marktmechanisme dichter komen te liggen bij de geformuleerde beleidsdoelstellingen. Wij veronderstellen dat het milieubeleid steeds meer een marktconform karakter krijgt. De milieuschade zal dan voornamelijk worden beperkt door middel van heffingen. Het ligt voor de hand dat de hoogte van de heffingen toeneemt naarmate de milieuschade ernstiger is. De consequentie hiervan is dat niet alleen de milieuschade wordt teruggedrongen, maar ook dat de concentratie van deze schade vermindert door een spreiding van milieuschadelijke activiteiten over een groter gebied. De heffingen zullen namelijk een effect hebben op de spreiding van de economische activiteit over Nederland. Een marktconform milieubeleid leidt tot deconcentratie, zo is de voorspelling.

4. Het proces van individualisering betekent vergroting van de keuzevrijheid van het individu. Een dergelijke ontwikkeling wensen liberalen graag te ondersteunen. Het geëmancipeerde individu wordt niet langer gebonden door de vanzelfsprekendheid van traditionele banden en rolpatronen.

Het is waarschijnlijk dat de economie zich in Nederland zal ontwikkelen tot een 24-uurs economie. Dit zal met zich brengen dat het individu een veel grotere vrijheid krijgt om te bepalen gedurende welke gedeelten van een etmaal hij zal werken, zal rusten en zal recreëren. Dit heeft als positieve consequentie dat er een doelmatiger gebruik van de infrastructuur gemaakt kan worden. De spitstijden behoren in de toekomst mogelijk tot het verleden. Ook zal de keuzevrijheid toenemen met betrekking tot de dagen in de week die men wenst te werken. Ook dat maakt een doelmatiger gebruik van de infrastructuur mogelijk.

Overzien wij het voorgaande, dan doemt een tamelijk hoopvol beeld op. De technologische ontwikkelingen, de globalisering van de economie en de individualisering vergroten de welvaart en de keuzevrijheid van het individu. Voorts leiden deconcentratie, decentralisatie en spreiding tot een doelmatiger gebruik van de schaarse ruimte in Nederland. De activiteiten zullen meer gelijkmatig verdeeld over het gehele land plaatsvinden.

De hier geschetste ontwikkeling kan betrekkelijk spontaan verlopen indien de overheid door een beleid van deregulering ruimte biedt voor de noodzakelijke aanpassingen. Aan een groots plan voor de inrichting van de ruimte is geen behoefte. Men moet niet trachten op basis van uitgewerkte blauwdrukken de veranderingen die het gevolg zijn van de technologische en andere ontwikkelingen te sturen. De onvoorspelbaarheid van de toekomst en de beperkte en subjectieve kennis van het verleden maken dat allesomvattende planning ten zeerste ongewenst is. Liberalen hebben vertrouwen in het creatieve oplossingsvermogen van (groepen van) individuen. Voor creatief handelen is individuele vrijheid een noodzakelijke voorwaarde.

Een en ander neemt niet weg dat als in voorkomende gevallen ontwikkelingen evident negatieve gevolgen hebben, ingrijpen noodzakelijk kan worden geacht. Globaal werkende instrumenten verdienen dan de voorkeur omdat die de meeste ruimte bieden aan spontane processen.

Vertaald naar het ruimtelijk beleid betekent dit dat de nationale overheid zich veelal kan beperken tot het aangeven van een strategische hoofdstructuur. De invulling van het beleid dient zoveel als mogelijk te worden gedecentraliseerd. Provincies en gemeenten zijn beter in staat om maatwerk te leveren, nuanceringen aan te brengen, in te spelen op locale en regionale behoeften en omstandigheden en een draagvlak voor beleidskeuzen bij de burgers te verwerven.