'Theater is meer dan voorstellingen'

Na het failliet van de textielindustrie trekt de stad Enschede zich als een Baron van Münchhausen op uit het moeras. Gerard Tonen, de nieuwe directeur van de Twentse Schouwburg en het Muziekcentrum Enschede, brengt er het culturele leven tot bloei.

ENSCHEDE, 20 FEBR. “Wat niemand weet”, zegt Gerard Tonen, de nieuwe directeur van de Twentse Schouwburg en van het Muziekcentrum Enschede, “is dat er meer mensen naar theater gaan dan naar betaald voetbal. Jaarlijks bezoeken zo'n zeven miljoen mensen een schouwburg, tegenover een kleine vier miljoen de voetbalstadions.”

Tot 1 februari was Gerard Tonen (Nijmegen, 1954) directeur van de schouwburg in Leeuwarden. Nu is hij overgeplaatst naar de oude textielstad Enschede om daar het culturele leven nieuwe kracht te geven. In Leeuwarden trof hij in 1990 nauwelijks enige theatercultuur aan. Er stond een door reeksen verbouwingen kapotgemaakte en tot Amerikaanse bioscoopbak verworden schouwburg De Harmonie uit 1881, en er was geld. Veel geld, zo'n dertig miljoen. Van dat geld werd een nieuwe schouwburg gebouwd door architect Frits van Dongen. Tonen moest ervoor zorgen dat het theater geen 'Fremdkörper' in de stad zou worden, zoals in tal van andere grote steden in de provincie, maar een levend hart.

Tonen zegt van steden te houden aan de rand van Nederland, dus ver van de Randstad: “Voordat ik naar Leeuwarden ging, organiseerde ik filmmarathons en straattheaterfestivals in Nijmegen. Daarna kwam ik in Groningen terecht onder de theaterdirecteur Ton Post. In die jaren heb ik geleerd dat een schouwburg uit zijn isolement moet komen. Natuurlijk, het artistieke produkt, de hoogstaande toneelvoorstelling of de indrukwekkende opera, is van groot belang. Maar je doet een stad en ook een schouwburg te kort door je als directeur uitsluitend op het aanbod te richten, hoe hoog gekwalificeerd dat ook is. Een schouwburg moet wortelen in de stad, hij moet er een wezenlijk onderdeel van uitmaken. Er is geen enkele reden om alsmaar naar het westen te kijken, naar de Randstad; ik sla de blik graag naar het oosten, waar een interessante theaterstad als Münster ligt. Ik hoop met die stad nog eens tot een samenwerking te komen.”

In Leeuwarden bereikte Tonen de loop naar de schouwburg door grote ruchtbaarheid te geven aan wat er te zien was in de drie zalen achter de uitnodigende voorgevel. De stad hing vol affiches; er werden lezingen, discussies en feesten georganiseerd, in de foyer stond een boekhandel. Niemand kon meer om de schouwburg heen; als er iets gebeurde in de stad, dan was het juist daar. Ook in Leeuwarden gaan veel meer mensen naar de schouwburg, zo'n tweehonderdduizend per seizoen, dan naar het voetbalveld van Cambuur.

In Enschede volgt hij dezelfde strategie. Behalve het nieuwe Muziekcentrum programmeert hij ook de Grote Kerk op de Markt, waar concerten worden gegeven, en de zalen van de Twentse Schouwburg. Er is de Grote Zaal van 900 mensen en een prachtige, 19de-eeuwse Kleine Zaal. Deze behoorde ooit toe aan de Herensociëteit van Enschede, die voornamelijk uit textielbaronnen bestond.

De drie gebouwen liggen op een steenworp afstand van elkaar en Tonen beweegt zich graag heen en weer tussen Schouwburg en Muziekcentrum, waar de Grote Kerk tussenin ligt: “Van de drie steden waarheen ik het theater bracht, fascineert Enschede me misschien nog het meest. Na het failliet van de textielindustrie leek de stad opgegeven, maar toch trekt ze zich uit het moeras omhoog als de Baron van Münchhausen. De kracht van steden als Leeuwarden, Groningen en Enschede is dat ze hun positie moeten bevechten, het komt niet vanzelf zoals in Amsterdam of Rotterdam. Ik houd van overzichtelijke gemeenschappen waarin alles nog mogelijk is. Het is mijn streven om overname door het Van der Valk-concern, zoals in Almelo, te voorkomen. Dat kan alleen als je de aanwezigheid van een theater in de stad legitimeert door alom vertegenwoordigd te zijn. Daarom staat hier behalve De Trust of Toneelgroep Amsterdam ook de Wierdense Revue. Je moet met contrasten werken. Er zijn vier categorieën bezoekers; degenen die naar conventionele en eenvoudige opvoeringen gaan; zij die een voorkeur hebben voor onconventioneel en eenvoudig; dan is er het publiek voor conventioneel en complex en tot slot zijn er bezoekers voor onconventioneel en complex. Tot de eerste groep behoren mensen die naar André van Duin gaan en tot de laatste de liefhebbers van De Trust. Tussen die tegenstellingen beweeg ik me, want het aanbod moet zo gevarieerd zijn dat alle bezoekers zich thuisvoelen in de schouwburg of in een orkestzaal.”

De angstdroom van elke schouwburgdirecteur is de lege zaal. Ook voor Tonen, maar er is volgens hem van alles mogelijk om de lege zaal te voorkomen. Tonen: “Voorstellingen alleen bewijzen niet de noodzaak van een schouwburg voor een stad. Alle schouwburgen in Nederland hebben ongeveer hetzelfe aanbod, dat is de kern. Maar daaromheen creëer ik een klimaat, een bedding, waarin de schouwburg gedijt. Als Hans Croiset zijn Vondel-voorstellingen uitbrengt, dan is hier 's zondags ervoor een Vondel-ontbijt. Croiset is er, de acteurs zijn er, er wordt gesproken over Vondel. Dat trekt mensen aan en maakt hen nieuwsgierig. Er moet van een schouwburg een roep uitgaan; zo'n prachtig gebouw is er niet alleen voor voorstellingen die komen en gaan, het is ook de plaats voor een stad om zich te uiten, om haar eigen podium te vinden.”