Schooltype; Het gevaar van ambitieuze ouders

Ouders willen vaak te hoog grijpen als hun kind naar de brugklas gaat. Een dergelijke ambitie kan leiden tot veel leed.

ABSURD WAS HET, zegt Teun van Veen, leerlingen-conrector van het Kaj Munk College in Hoofddorp: het jongetje had een VBO-advies gekregen van zijn leraar in groep 8, maar zijn moeder stond erop dat hij naar de Mavo ging. Van Veen had de jongen geweigerd. “Voor deze school heeft uw zoon ten minste een Mavo-advies nodig”, had hij uitgelegd. De moeder hield vol, dus hij verwees haar “voor de grap” terug naar de leraar van groep 8. Zij liet niet met zich spotten. “De volgende dag stond ze weer op de stoep. Naast het VBO-advies stond opeens een Mavo-advies! Die leraar op de basisschool was gezwicht voor haar wensen.” Helaas, zo had Van Veen de moeder te kennen gegeven, wij geven uw zoon niet het voordeel van de twijfel.

Van Veen en het afdelingshoofd van de Havo, Hans van Dokkum, komen het voortdurend tegen: ouders met ambitie voor hun kinderen. Marie moet niet naar de Havo, Marie kan het VWO heus wel aan. Een Mavo-advies voor John?

Welnee! John heeft later meer kansen als hij meteen naar de Havo gaat. “Wij zien die kinderen hier rondlopen, van 12, 13 jaar. Met een loodzware druk op hun schouders: van thuis moeten ze iets waarmaken waar ze niet aan toe zijn”, vertelt Van Dokkum. “Misschien dat ze later, als ze ouder en rijper zijn, alsnog naar het VWO kunnen. Maar van begin af aan te hoog grijpen, is fnuikend. Je ziet ze lijden onder die eisen, je ziet ze diep ongelukkig worden.” Het is eenvoudig, zo vinden ze op deze scholengemeenschap in Hoofddorp: “Kinderen moeten maar één ding: naar het schooltype dat bij hen past.”

Elk jaar kiezen duizenden ouders een verkeerd schooltype voor hun kinderen die de basisschool verlaten, zo blijkt uit cijfers van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Vooral in de vier grote steden. Onderzoekers vermoeden dat ouders daar relatief mondiger en ambitieuzer zijn dan elders. Een handjevol ouders zet te laag in en kiest bijvoorbeeld voor de brugklas Mavo/Havo, terwijl het kind de capaciteiten heeft voor Havo/VWO. Maar de meesten die verkeerd kiezen, grijpen te hoog.

Landelijk stuurt tussen de 25 en 30 procent van de ouders zijn kind naar een hoger schooltype dan de basisschool heeft geadviseerd, zo blijkt uit onderzoek van bedrijfskundige A. Heijkoop, die in december op schoolkeuzes is afgestudeerd. Van de ouders wier kind een Havo-advies heeft, kiest zelfs 49 procent tóch voor het VWO. De kinderen zelf blijken het vaak met de keuze van hun ouders eens te zijn, stelt het Amsterdamse SCO Kohnstamm Instituut vast, dat onder meer onderzoek doet naar onderwijs en pedagogiek.

Een diploma geldt in toenemende mate als paspoort voor succes. Hoe hoger het schooltype, denken ouders, des te meer kansen zal hun kind later hebben op de arbeidsmarkt.

Deze denkwijze zit zo diep, zegt conrector Van Veen in Hoofddorp, dat collega's die normaal gesproken kunnen inschatten bij welk schooltype een kind past, met hun eigen kinderen de mist ingaan. “Ik heb een collega gehad die per se wilde dat zíjn zoon naar het VWO ging. Wij hebben erop aangedrongen hem toch naar de Havo te sturen. Jaren later was hij ons daar dankbaar voor.”

Het is moeilijk de schoolloopbaan van een 12- of 13-jarige leerling te voorspellen, vinden scholen. Een enkeling van wie de ouders hoger grepen dan hun is geadviseerd, maakt een glansrijke schoolcarrière door. Maar de schoolresultaten van de meeste kinderen wier ouders te hoog kozen, laten zeer te wensen over: ze halen relatief slechte cijfers, blijven zitten, spijbelen of verlaten, in het ergste geval, de school zonder diploma. Als gevolg van te ambitieuze ouders zouden in de vier grote steden drie keer zoveel jongeren zonder diploma op straat komen als in kleinere plaatsen en twee keer zoveel als in steden buiten de Randstad.

Voor heel Nederland geldt bovendien dat ouders doorgaans niet willen dat hun kind zou kunnen 'afzakken' naar een lager schooltype, bijvoorbeeld van de Havo naar de Mavo, zo signaleert bedrijfskundige Heijkoop. Zo'n 35 procent zou daarom de voorkeur geven aan een school die geen lager schooltype in huis heeft dan dat waarop zijn kind zit. Voor 10 procent geeft die voorwaarde zelfs de doorslag bij de schoolkeuze. Categoriale (zelfstandige) gymnasia en scholen met alleen Havo/VWO kunnen de vraag de laatste jaren niet meer aan.

De gemeente Amsterdam, waar ouders het hoogst inzetten, heeft vorige week met middelbare scholen afgesproken dat ze vanaf volgend schooljaar geen kinderen meer mogen aannemen op een te hoog niveau. Niet de stem van de ouders, maar het oordeel van de basisschool en de resultaten bij de CITO-toets geven voortaan de doorslag bij de keuze voor een schooltype. Hoe ambitieus sommige ouders ook zijn en hoe graag Amsterdamse scholen ook leerlingen willen,zo is de redenering, zij moeten zich houden aan normen die voor de hele stad gelden, om zittenblijvers en uitval te voorkomen.

Bij de keuze voor een middelbare school wegen het advies van de leraar van groep 8 op de basisschool en (op de meeste scholen) de resultaten van de CITO-toets het zwaarst. De wensen en ambities van ouders en kinderen wegen meestal pas in laatste instantie mee.

Toch gaat er regelmatig wat mis. Sommige basisscholen hebben er belang bij een zo hoog mogelijk advies te geven, vertellen Van Veen en Van Dokkum in Hoofddorp. “Met veel leerlingen die naar Havo en VWO zijn gegaan, kunnen ze scoren als school”, aldus Van Dokkum. Bovendien willen ze de individuele ouders misschien te vriend houden, zegt Van Veen. “Bijvoorbeeld als er nog een jonger zusje of broertje op die basisschool rondloopt.” Het is volgens hen belangrijk dat een middelbare school een vertrouwensrelatie heeft met de basisscholen in de regio en aldus ervan kan uitgaan dat adviezen deugen.

“Voor ons betekent het op de lange termijn toch veel rompslomp - extra aandacht en tijd - als een kind aanvankelijk te hoog kiest.”

Veel middelbare scholen verliezen dit lange-termijnbelang uit het oog omdat ze staan te springen om leerlingen, vertelt Hans Winkel, hoofd van de Amsterdamse VBO-school Nova. “Leerlingen leveren geld op. En de laatste tien jaar zijn er te weinig leerlingen én is er te weinig geld.” Het gevolg is dat sommige scholen het advies van de basisschool en de CITO-resultaten negeren. Liever zwakke leerlingen, dan geen leerlingen.

En dan zijn er de twijfelgevallen. Wat te doen met een kind dat op zijn twaalfde sterk is in rekenen, maar geen fatsoenlijke zin kan formuleren? “Die leerlingen kunnen het beste naar een gemengde brugklas, bijvoorbeeld Havo/VWO, waar na een jaar wel duidelijk wordt of hun zwakke kant kan worden opgevijzeld”, zegt Van Dokkum.

Leerlingen die op een te laag schooltype zitten, gaan zich vervelen en worden dus vervelend, weten ze in Hoofddorp. “Dat moet je niet hebben, en zeker geen hele klas met zulke kinderen. Onderwijs moet wel uitdagend blijven.” Maar scholieren die achter de feiten aanhollen, die jaarlijks met de hakken over de sloot overgaan - dát komt het meeste voor en is de 'ergste' variant. Van Dokkum: “De ouders zijn dan elke zomer opgelucht omdat Piet niet is blijven zitten. Maar je zou maar altijd de domste van de klas zijn, die met pijn en moeite dezelfde resultaten haalt als de slimme kinderen om je heen.”

De VBO- en IVBO-school van Winkel biedt de laagste onderwijstypes aan, zelf noemt hij zijn school een opvangnet. Behalve jongeren van wie altijd al duidelijk was dat ze de Mavo niet aankunnen, komen hier jaarlijks zo'n 24 afzakkers - jongeren die kozen voor de Mavo of Havo. Winkel: “Gedeprimeerd komen ze binnen, met weinig zelfvertrouwen. We hebben een 16-jarige jongen die drie jaar lang met veel duwen en trekken op de Havo had gezeten. Het moest zo nodig van zijn ouders. Hij raakte zo gefrustreerd dat hij af en toe iemand op zijn bek sloeg, vind je het gek? Nu hij hier is, blijkt hij rijp voor de individuele VBO, voor leerlingen die bijzonder veel aandacht nodig hebben. Onbegrijpelijk ook dat die school hem zo lang vasthield. Wij beginnen van voor af aan met zo'n jongen. Wij zeggen: je bent veel waard voor deze samenleving, je gaat iets doen, wat anderen niet doen: een vak leren.”