Jenaplan etc.; Worden wie je bent

Dalton, Jenaplan, Montessori, Vrije School. Het gaat goed met de traditionele vernieuwingsscholen.

WIE EROVER DENKT zijn kind naar een middelbare school te sturen waar “de leerling centraal staat”, kan kiezen voor de zogenoemde traditionele vernieuwingsscholen: Dalton-scholen ('geen systeem maar een manier van met elkaar omgaan', aldus de schoolgids), Montessori-scholen ('aansluiten bij de natuurlijke ontwikkeling van jongeren'), Vrije Scholen ('worden wie je bent') en de Jenaplan-scholen ('uitgaan van een natuurlijke communicatiesituatie met als doel het geleerde echt eigen te maken en te integreren').

Nederland telt zo'n vijftig vernieuwingsscholen. Lang niet overal is dus zo'n school met voortgezet onderwijs te vinden. In Friesland is bijvoorbeeld geen Vrije School, Dalton-scholen zijn vooral in het westen te vinden en Amsterdam kent geen school met voortgezet Jenaplan-onderwijs. Daar staat tegenover dat, terwijl het totale aantal middelbare scholen de laatste vijf jaar bijna is gehalveerd, het aantal traditionele vernieuwingsscholen is toegenomen. Drie jaar geleden waren er nog maar drie Jenaplan-middelbare scholen, inmiddels zijn dat er zeven. Vier scholen bereiden zich voor om ook Jenaplan-onderwijs te geven. Bij Peter Seijbel, coördinator voor het Jenaplan-onderwijs in het voortgezet onderwijs, hebben zich dit jaar al 73 scholen gemeld die voorlichting wilden. De redenen? Seijbel: “Vroeger waren de zuilen de richtsnoer voor een school. Door de fusies richten scholen zich meer op onderwijskundige zaken.”

Seijbel noemt de management-cursussen voor het schoolkader als een tweede reden. “Daar leren directies dat ze een visie moeten hebben en dus gaan ze zich afvragen wat ze als school willen en hoe ze zich op onderwijskundige zaken kunnen richten.”

De belangrijkste reden voor de sterk toegenomen belangstelling is volgens Seijbel het nieuwe lesprogramma in de hoogste klassen Havo en VWO.

Vanaf 1 augustus 1998 mogen vierdeklassers niet meer een eigen vakkenpakket samenstellen maar moeten ze kiezen voor een zogeheten 'profiel'.

Tegelijkertijd moeten ze meer aan groeps- en zelfstudie doen om zich beter te kunnen voorbereiden op het vervolgonderwijs. “Het is aangekondigd als iets nieuws. Maar zaken als een werkplan maken en zelfstandig leren werken zie je allang bij Jenaplan en Montessori.”

Zelfstandig kunnen werken is een belangrijke vaardigheid, maar steken mijn kinderen op zo'n school ook nog wat op, zo zal de kritische ouder zich afvragen. Halen ze ook hun diploma's - het liefst een VWO-diploma?

Voor hen is het niet genoeg te weten dat bijvoorbeeld televisiester Peter Lusse en D66-fractievoorzitter Wolffensperger Montessori-onderwijs hebben gevolgd, of dat volleybalspeler Peter Blangé en Van Kooten en De Bie op een Dalton-school hebben gezeten. Zij willen als een soort keurmerk harde cijfers van de overheid.

De ouder die daarnaar op zoek is, komt bedrogen uit. “Iedere school, ongeacht type of denominatie, wordt door ons gecontroleerd. Wij houden geen aparte lijsten bij”, zegt de Onderwijsinspectie. Het ministerie van Onderwijs laat een zelfde geluid horen. De meeste onderwijsverenigingen houden evenmin cijfers bij. “Er is nog nooit onderzoek naar gedaan”, zegt de secretaris van de Dalton-vereniging. “Gek eigenlijk.”

De Bond van Vrije Scholen kan wel globale cijfers leveren: 25 procent van hun leerlingen gaat naar de Mavo, 50 procent naar de Havo en 25 procent naar het VWO. Ruim negentig procent van hen slaagt in één keer. Peter Seijbel van het Jenaplan-onderwijs kan alleen een indruk geven van zijn eigen school, de Stedelijke Scholengemeenschap Nijmegen: “Bijna niemand gaat naar de Mavo, een paar naar de Havo en verreweg de meesten naar het VWO.” Frans Mulder, directeur van het Montessori College in Utrecht, relativeert de statistieken: “Vroeger gingen de meeste Montessori-leerlingen naar het VWO. Dat had alles te maken met hun gegoede afkomst. Dat is veranderd.

Mijn school staat midden in een volksbuurt, Lombok. Het Montessori-onderwijs heeft zo een evenwichtiger samenstelling gekregen. Er bestaat ook een Montessori-Mavo en Montessori-VBO.''

Peter Seijbel geeft toe dat afkomst een rol speelt. “Twintig tot soms wel veertig procent van de ouders van onze leerlingen zijn werkzaam in het onderwijs of daarmee verwante beroepen.” Maar hij heeft toch nog een hard cijfer. “Uit onderzoek van studenten van de Katholieke Universiteit Nijmegen blijkt dat ruim de helft van onze leerlingen een niveau hoger eindigt dan door de basisschool werd geadviseerd. Door de onderlinge samenwerking trekken de zwakkere leerlingen zich op aan de sterkeren.”

Montessori

Gebaseerd op de ideeën van Maria Montessori, die in het begin van de eeuw een eigen methode voor het basisonderwijs ontwikkelde.

Iedere leerling wordt beschouwd als een individu dat zich naar eigen aard en in eigen tempo moet kunnen ontwikkelen. De nadruk ligt op eigen verantwoordelijkheid. De leerling mag zelf kiezen hoe, waar, wanneer en met wie hij werkt. De leraren is de begeleider die in de gaten dat de leerling aan de gestelde normen voldoet. Daar hoort ook het 'gewone' eindexamen bij. Inlichtingen: Nederlandse Montessori Vereniging, (020) 6 58 0154.

Dalton

Ontwikkeld door de Amerikaanse Helen Parkhurst (1886-1973), die als enige docent les gaf op een dorpsschooltje. Wegens de leeftijdsverschillen in de klas kon ze niet klassikaal les geven. Door de nood gedwongen ontwikkelde ze haar Laboratory Plan, waarbij de leerlingen zelfstandig moestewerken. Later gaf ze haar methode de naam Dalton Plan, toen een maecenas uit de stad Dalton het haar mogelijk maakte een eigen school te stichten. In Nederland bestaat sinds 1925 voortgezet Dalton-onderwijs. Net als bij Montessori mogen leerlingen voor een deel zelf hun werk bepalen, maar een vrijwel even groot ander deel van de stof wordt klassikaal behandeld. Inlichtingen: Nederlandse Dalton Vereniging, (05910) 22 66 5.

Vrije School

Geven les volgens de antroposofische ideeën van Rudolf Steiner. Begin jaren twintig vroeg de sociaal bewogen sigarettenfabrikant E. Molt uit Stuttgart aan Steiner of hij volgens zijn antroposofische principes een pedagogie en een school wilde ontwikkelen en inrichten. Het woord vrij duidt niet op de vrijheid van de leerlingen, maar op het pedagogische uitgangspunt dat de school geen staatsinmen- ging kent. De Vrije School kent twaalf klassen, van vier tot achttien jaar. Leerlingen die pas na de basisschool naar een Vrije School gaan, moeten eerst een test afleggen. Het onderwijs is bekend door de aandacht die wordt besteed aan kunstzinnige ontwikkeling. Aan het eind krijgt de leerling een getuigschrift, en moet daarna nog een jaar naar een andere school om examen te doen. Inlichtingen: Bond van Vrije Scholen, (0343) 52 11 14.

Jenaplan

Pedagogisch onderwijsconcept dat voor de Tweede Wereldoorlog is ontwikkeld door de Duitser Peter Petersen, genoemd naar diens woonplaats. Kringgesprek, weeksluiting, groepswerk en projecten zijn sleutelbegrippen uit het Jenaplan-onderwijs. De grenzen tussen de vakken zijn niet scherp getrokken. Talen, geschiedenis, aardrijkskunde, biologie, wiskunde en natuurkunde worden met elkaar in verband gebracht en vormen samen in wezen één vak: wereldoriëntatie. In het voortgezet onderwijs is tot nu toe alleen voor de eerste drie klassen Jenaplan-onderwijs ontwikkeld. Leerlingen die Havo of VWO volgen, krijgen de laatste twee of drie jaar 'gewoon' onderwijs. Inlichtingen: Nederlandse Jenaplan Vereniging, (0224) 21 33 06.