In Liefde Bloeyende

Cornelis Paradijs (1860-1932)

Aan Jacob Cats

U klinkt mijn cither, Hollands bard!

Wiens werk de tand der tijden tart

O Born van zoveel schats!

Wien Neêrlands volk zo mint en roemt

En met de naam van Vader noemt

Terecht, O Jacob Cats!

Gij Vondel, Bredero en Hooft

Waart niet van dichtgenie beroofd

Dat ziet men aan 't debiet!

En gij ook, Bellamy en Poot

Waart lang niet van talent ontbloot

Maar Catsen waart gij niet!

Want Gij blinkt boven allen uit

Gij sloegt een nationale luit

Gij zongt een Hollands lied!

De krans, die om uw slapen gloort

Is van echt Vaderlandse soort

Godvruchtig en solied!

Waar is uw weêrga, zoet poëet

Die Hollands taal als honing kneedt

Verheven fenomeen?

Welk land, welk volk, op heel deez' aard

Heeft ooit een tweede Cats gebaard?

Dat kon ons land alleen.

Rust, dichter-pensionaris, warm

In 't Hemelrijk, in Godes arm

Wiens naam gij altoos preest;

De laatste Nederlander sterft

Eer Jacob Cats zijn glorie derft

En Nederland zijn geest!

Vader Cats, we kennen hem als de auteur van veel korte spreuken en levenslessen, hij heeft zelfs een krukje in de bijkeuken van de erehemel verdiend als degene aan wie we het charmante mini-gedicht over alcoholisme en café-bezoek

De keel

Kost veel

te danken hebben, maar vooral toch kennen we hem als de schrijver van lange dreunen en breedsprakige betweterijen. Hij had een vertrouwd maniertje en een vermanende wijsvinger en hij recyclede zichzelf eindeloos - kortom, een zeventiende-eeuwse columnist op rijm die van geen ophouden wilde weten. Zijn populariteit als volksdichter, eeuwenlang, komt ons nu onvoorstelbaar voor.

Wat gij weten kunt uit boeken

Is bij vader Cats te zoeken

zei het volksrijmpje. Cats was de man die alle andere boeken overbodig maakte - behalve de Bijbel. 'The poet of all poets', noemde de Engelse dichter Robert Southey hem nog in de negentiende eeuw. Deze sarcastische ode Aan Jacob Cats van Cornelis Paradijs, alias Frederik van Eeden, is afkomstig uit zijn Grassprietjes, de derde vermeerderde en verbeterde druk van 1905. Zelfs toen moet er dus nog een snaar van herkenning hebben getrild.

En nu? De poëzie van Cats is niet meer overeind te helpen. In 1960, ter gelegenheid van zijn driehonderdste sterfdag, werd er nog een laatste poging ondernomen. Vergeefs. Er verscheen zelfs een 'reuzenpocket' bij De Bezige Bij (1962) met gedichten van Jacob Cats. Bij de uitgeverij van de Vijftigers! De bloemlezer, G.A. van Es, probeerde de rijke en gerespecteerde raadspensionaris losjes neer te zetten als een sociaal voelende rebel: “Hevig interesseert hem het dagelijkse leven van de 'gewone' mensen in zijn eigen tijd, zijn eigen onmiddellijke omgeving. Aan de zedelijke vorming van de enkeling, maar dan gezien als lid van de samenleving, wil hij leiding geven. En dat was nodig in die tijd, waarin een geheel nieuwe maatschappij ontstond. (-) Machtsverhoudingen wijzigden zich, in de steden, tussen de provincies, in de wereld, die naar alle zijden openging. Nieuwe maatschappelijke samenhangen moesten worden opgebouwd. Oude gebruiken en normen waren verloren gegaan (-). Wat theoretisch gewonnen was, vroeg om praktische toepassing in het leven van alledag, in de omgang tussen de seksen, in de huwelijksverhouding, in het gezin, in bedrijf en nering, in het maatschappelijk verkeer, in openbare functies.”

Het is duidelijk, Van Es heeft het in zijn ijver om het object van zijn studie te redden meer over Marx, sluimerende provo's, NVSH en ontzuiling dan over de Gouden Eeuw. De wereld, die naar alle zijden openging... Een geheel nieuwe maatschappij... Dat moeten de televisie en John F. Kennedy zijn geweest.

Het komt in de literatuurwetenschap meer voor dat men zieltjes voor historische schrijvers probeert te winnen door de sores van de eigen tijd terug te projecteren op een nietsvermoedende eeuw, maar dit staaltje van actualisering onder de vlag van Lucebert was wel erg kras.

Niemand trapte er dan ook in.

Het werk van Cats heeft de tand des tijds (regel twee) uiteindelijk niet getart. Zelfs dit spotdicht op hem is vergeten, terwijl je het Ten Kate! Ten Kate! O koning der cantate! of het O Beets, wat zijt gij groot! van dezelfde Cornelis Paradijs nog regelmatig kunt horen. Is de laatste Nederlander (slotstrofe) dan echt gestorven? Daarover volgende week.