Het denken van filosoof Philipse is niet consistent

Het doordenken van de filosofische dilemma's die de pluraliteit van godsdiensten voor de gelovige oproept blijkt een moeizaam proces. Bisschop Bomers vindt dat de filosoof Herman Philipse zich door zijn wijze van argumenteren aan een echte discussie onttrekt.

Het is erg moeilijk met professor Philipse van gedachten te wisselen omdat hij voortdurend zijn posities verandert. In zijn eerste stuk schreef hij: “Een dialoog is bij voorbaat onmogelijk indien men vasthoudt aan de exclusieve waarheid van de eigen religie, zoals kardinaal Ratzinger, het gevreesde hoofd van de Congregatie voor de geloofsleer en rechterhand van paus Johannes Paulus pleegt te doen.” Hij betoogde tegen de onhoudbaarheid van genoemde opvatting op grond van het beginsel van non-contradictie. Volgens hem zou die opvatting erop neerkomen dat het christendom alle waarheid voor zich alleen claimt en dat er in andere godsdiensten in het geheel geen waarheid is te vinden. Niettegenstaande het feit dat Philipse bij hoog en bij laag volhoudt dat hij de opvattingen van de katholieke kerk heel goed kent, moet ik hem er helaas weer op wijzen dat hij zich vergist.

De katholieke kerk claimt niet het exclusieve bezit van de waarheid; zij erkent dat er ook in de niet-christelijke godsdiensten elementen zijn van waarheid, goedheid en heiligheid. Ook pleit paus Johannes Paulus II in zijn encycliek 'Redemptoris missio' (1990) voor een dialoog met de andere godsdiensten. Het kan gewoon niet waar zijn dat pater Balasurya geëxcommuniceerd is omdat hij wat goed en waar is in andere godsdiensten erkent, een dialoog wil aangaan en goede onderlinge relaties tussen de godsdiensten voorstaat.

In zijn tweede stuk echter switcht Philipse naar een andere positie en schrijft hij aan kardinaal Ratzinger het standpunt van de absolute waarheid van het christelijk geloof toe. Maar dat is wel heel wat anders; exclusief en absoluut zijn twee heel verschillende begrippen. Als het christendom exclusief de waarheid zou claimen, zou dat betekenen dat er buiten het christendom in het geheel geen waarheid bestaat. Nogmaals, dat is niet het standpunt dat de katholieke kerk inneemt. Dat de katholieke kerk claimt dat het christelijk geloof absoluut waar is, betekent dat de inhoud ervan volledig waar is en niet half of gedeeltelijk waar. Daarom heeft Philipse er ook volkomen onterecht het beginsel van de non-contradictie bijgehaald, alsof het christendom zich tot de andere godsdiensten zou verhouden als waar tot onwaar.

Philipse wekt de indruk niet het verschil te kennen tussen contradictie en contrariëteit; van het begrip 'wit' is 'niet-wit' de contradictie, terwijl 'zwart' contrair is aan 'wit'. In het eerste geval zijn tussenposities niet mogelijk, in het tweede wel.

Het tweede punt waarop Philipse van positie verandert is dat van de tolerantie. Ik heb hem erop gewezen dat hij ook in deze de leer van de katholieke kerk niet kent, omdat deze veel verder gaat dan tolerantie; ze leert namelijk de vrijheid van godsdienst. Nu Philipse dit wel moet erkennen, gaat hij plotseling beweren dat hij met tolerantie niet bedoeld heeft het grondrecht om naar eigen inzicht een bepaalde geloofsovertuiging aan te hangen maar de verhouding tussen de aanhangers van de verschillende godsdiensten. Zou hij daarom nog eens goed willen kijken naar wat hij in het eerste stuk schreef: “Sri Lanka heeft een multireligieuze cultuur en in een dergelijke situatie is het bevorderen van religieuze tolerantie wezenlijk voor een vreedzame coëxistentie van de verschillende denominaties.” In het denken van de katholieke kerk wordt aan mensen met andere geloofsopvattingen zonder meer het recht toegekend om in vrijheid hun geloof te hebben en te beleven, en dat gaat veel verder dan andere opvattingen tolereren.

Bijzonder ernstig is de opmerking van Philipse dat religieus absolutisme gemakkelijk leidt tot intolerantie omdat men meent dat de eigen overtuiging is ingegeven door een onfeilbare God. Nu heeft Philipse in zijn eerste stuk geschreven dat er voor een redelijk mens maar één bonafide positie in het geestelijk leven is: het atheïsme. “De gelovige heeft ofwel onvoldoende nagedacht ofwel hij geeft bewust zijn redelijkheid prijs.” Deze opmerking, waarmee de waarheid exclusief geclaimd wordt, is behalve arrogant ook mateloos intolerant. Als hij meent dat intolerantie een vrucht van het geloof is, zou hij eens moeten uitleggen waar zijn eigen intolerantie dan wel de vrucht van is.

Philipse toont zich in zijn artikel ook beledigd; nadat hij 'bewezen' heeft dat gelovigen niet kunnen denken, staat er nota bene een gelovige op die hem, de denker, durft te wijzen op zijn denkfouten en gebrekkige kennis. En weer gaat Philipse van positie veranderen. Omdat ik hem erop heb gewezen dat de projectietheorie veel toepasbaarder is op het atheïsme dan op het geloof, stelt hij plotseling in zijn tweede stuk: “Ik beweer niet dat de projectietheorie juist is.” Maar in het eerste stuk lees ik toch wel heel duidelijk: “Alleen de atheïst beschikt over één theorie die alle geloofsverschijnselen tegelijk kan verklaren zonder de regels voor wetenschappelijke verklaringen te schenden, de projectietheorie, zodat hij argumentatief veel sterker staat dan de gelovige.” Ook wordt in zijn tweede stuk de projectietheorie in een psychologische theorie omgetoverd. Waar zijn plotseling het, verklarende, wetenschappelijke en argumentatieve van de theorie gebleven?

Aan mij verwijt Philipse dat ik het toepassingsbereik van de projectietheorie overschat, terwijl ik slechts heb gesteld dat er “in de projectietheorie een element van waarheid zit”. Ik zal er echt niet tijd en eeuwigheid van laten afhangen. Het is ook gewoon niet waar, zoals Philipse beweert, dat ik een eigen variant van de projectietheorie heb ontwikkeld. Ik heb ze slechts algemeen toegepast. Dat Philipse van mening is dat de projectietheorie alleen maar van toepassing is op het geloof, omdat dat onredelijk is, en niet op het atheïsme, omdat dat redelijk is, is je reinste 'petitio principii', een heel ernstige denkfout, en het zoveelste bewijs van zijn grenzeloze aanmatiging.