GROOT EN KLEIN

Scholen voor voortgezet onderwijs worden steeds groter. Van de 1.940 scholen die er in 1987 nog waren, zijn er nog 770 over (exclusief het speciaal onderwijs).

Fusies en overnames van schoolbesturen, aangemoedigd door het ministerie van Onderwijs, hebben ertoe geleid dat grote scholen nu in de meerderheid zijn. Tien jaar geleden telde een school gemiddeld 525 leerlingen. Inmiddels hebben ze gemiddeld meer dan 1.000 leerlingen. Grote scholen zijn vaak brede scholengemeenschappen die alle schooltypes aanbieden, van het voorbereidend beroepsonderwijs (VBO) tot voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (VWO).

Grote scholen die het resultaat zijn van fusies van verschillende scholen zijn vaak verspreid over verschillende vestigingen. Die scholen kunnen in totaal zo'n 6.000 leerlingen tellen, maar hebben hooguit 1.400 leerlingen in één vestiging. Een klein aantal grote scholen is niet het resultaat van een fusie, maar opgericht met van meet af aan het doel een brede scholengemeenschap te zijn. Die hebben 1.200 à 1.400 leerlingen in één schoolgebouw en 120 tot 140 mensen in dienst, van leraren tot conciërges. Kleine scholen, die nooit zijn gefuseerd met andere, hebben tegenwoordig gemiddeld 700 à 900 leerlingen en 60 à 90 personeelsleden.

Begin jaren zeventig gingen in de politiek en het onderwijs stemmen op om brede scholengemeenschappen op te richten in plaats van afzonderlijke Mavo's, Havo/VWO's of technische scholen. Sterke en zwakke leerlingen zouden op zo'n school langer bij elkaar in de klas kunnen zitten en zouden zo pas na hun vijftiende een schooltype hoeven kiezen. Bovendien zouden kinderen uit sociaal zwakkere milieus meer kans maken op het volgen van een hogere opleiding. Het ministerie van Onderwijs reikte begin jaren negentig premies uit aan schoolbesturen die fusies aangingen. Honderden schoolbesturen maakten er gebruik van.

KLEIN

Scholengemeenschap De Amers

foortse Berg (Mavo, Havo, VWO) in Amersfoort heeft zich verzet tegen de fusiegolven: 880 leerlingen krijgen les op één vestiging in een bosrijke omgeving.

Op deze school zijn de brugklassen nog “ouderwets” gescheiden naar schooltype. Alle kinderen die naar de Mavo zullen gaan, zitten bij elkaar in de klas.

Voordeel van de kleinschalig

heid is, aldus rector P. Scharff, dat leerlingen, leraren en andere personeelsleden een groot verantwoordelijkheidsgevoel hebben voor elkaar, voor het gebouw en de onderwijsprestaties.

“Als een leerling troep op de grond gooit, kan een leraar hem of haar daarop aanspreken, bij zijn naam. Leerlingen hebben ook het gevoel dat ze erbij horen. Dit is hùn school, hùn aula.”

Bureaucratisch is het hier in elk geval niet, vindt Scharff. “Een nadeel is misschien dat we weinig verloop hebben in het personeel. Vers bloed komt er niet zo vaak bij.”

De ironie wil, zegt Scharff, dat wat begon als een inhoudelijke discussie over integratie van sterke en zwakke leerlingen en het uitstellen van de beslissende stap naar een bepaald schooltype, is verzand in een “kwestie van centen”. Fusies zijn volgens hem niet ingegeven door een onderwijsideaal maar door financiële overwegingen. Hoe meer leerlingen, hoe meer geld een school van het ministerie van Onderwijs krijgt.

Hoe groter een school, zo is het idee, des te efficiënter kan de organisatie werken en des te meer geld blijft er over voor extraatjes.

Na een fusie heeft een school misschien één conciërge of decaan nodig in plaats van twee.

Het bespaarde geld kan nu opgaan aan Spaanse of Griekse les, reisjes, orkesten of bijzondere leraren die met moeilijk lerende kinderen kunnen omgaan.

“Wat je ziet is dat ondanks deze voordelen van fuseren, grote schoolbesturen toch weer kiezen voor kleine, gescheiden vestigingen, waar per gebouw één schooltype is gehuisvest”, aldus rector Scharff.

GROOT

Scholengemeenschap De Meergronden in Almere is de tegenpool van de Amersfoortse Berg, maar is evenmin het resultaat van een fusie. In 1978 is deze brede school (VBO, Mavo, Havo, VWO) opgericht, die nu 1.300 leerlingen telt. De school heeft een visie, vertelt de rector, D. de Vries: “Kinderen van allerlei achtergronden en met verschillende capaciteiten moeten zo lang mogelijk met elkaar optrekken. Dat is niet alleen gunstig voor de zwakke leerlingen, zoals veel mensen denken, maar ook voor de sterke leerlingen.”

In de eerste en tweede brugklas op zijn school zitten VBO-leerlin

gen bij leeftijdgenoten op de Havo en het VWO in de klas. Leraren, vertelt De Vries, moeten zo hun aandacht verdelen over leerlingen die in verschillende tempo's werken. “Ze geven niet frontaal les aan iedereen tegelijk, maar laten de leerlingen vaak zelfstandig werken, in hun eigen tempo.”

Een anonieme fabriek, waar leerlingen en leraren onbekenden voor elkaar zijn, zal De Meergronden nooit worden, aldus De Vries. “Wij organiseren het zo dat leerlingen in de eerste twee brugklassen dezelfde leraren en kinderen om zich heen hebben.

Het is bijna een voortzetting van de basisschool.''