Geneesmiddelen (1)

In mijn reactie (Brieven, 6 februari) op de artikelen van Renckens en Van Noordwijk (30 januari) heb ik als niet-medicus vermeden een oordeel uit te spreken over de al of niet werkzaamheid en schadelijkheid van homeopatische en antroposofische geneesmiddelen.

Slechts de onwaardige en gebrekkige argumentering wilde ik aan de kaak stellen. De uitdaging van Van der Zon (15 februari) om de effectiviteit te bewijzen kan ik dan ook rustig naast mij neerleggen. Dat geldt ook voor dr. Peters' opmerking (zelfde datum) over mijn onbekendheid met de bewijslast.

Het is nog altijd zo dat wie beschuldigt, met bewijzen moet komen en niet omgekeerd. De homeopathie en antroposofie worden door Renckens beschuldigd van kwakzalverij en op een lijn gesteld met duiveluitdrijving en bedevaarten (leuke opmerking richting het rk-volksdeel!).

Volgens Van der Zon en Peters moeten de beschuldigden nu maar bewijzen dat zulks niet het geval is. Als Peters daarbij bovendien stelt dat volgens de wet “de effectiviteit overtuigend bewezen moet worden” staat hij lijnrecht tegenover de mededeling van Van Noordwijk dat het besluit homeopatische farmaceutische producten niet eist dat de werkzaamheid redelijkerwijs aanneembaar moet zijn.

Mijn vraag om een serieuze discussie lijkt dus zo gek nog niet.