De Westerse strijd tegen kinderarbeid in de Derde Wereld; Goede bedoelingen, kwade gevolgen

Volgende week woensdag en donderdag wordt in Amsterdam een internationale conferentie gehouden over kinderarbeid. De organisatoren, de International Labour Organisation en de Nederlandse regering, willen op die manier de discussie over deze misstand stimuleren. Enige discussie lijkt wel noodzakelijk: Westerse acties tegen kinderarbeid blijken allerlei onvermoede gevolgen te hebben.

'De stof van chemische poeders en de penetrante dampen in de voorraadruimte en de produktiehal slaan ons tegemoet. We treffen er enkele honderden kinderen aan, velen jonger dan tien jaar die, lange rij na lange rij, twaalf uur achtereen doosjes vullen met fosforstokjes.'' Deze beschrijving had kunnen stammen uit een Dickensiaans boek over het negentiende eeuwse Engeland. In werkelijkheid is het Unicef-directeur Carol Bellamy's beschrijving van een hedendaagse luciferfabriek in het Indiase Sivakasi.

In haar 'The State of the World's Children 1997' geeft de chef van het VN-kinderfonds reeksen andere voorbeelden: Pakistan, waar in de tapijtindustrie vele duizenden kinderen voor een paar tientjes door hun doodarme ouders letterlijk als slaafjes zijn verkocht aan fabrikanten die deze gratis arbeid met mafia-achtige methoden in het gareel houden; Maleisië, waar ondanks de snel stijgende welvaart in de steden plattelandskinderen nog tot zeventien uur per etmaal op rubberplantages werken met alle risico's van insecten- of slangenbeten; Tanzania, waar kinderen twaalf uur achtereen koffiebonen plukken en daarbij overmatig gebruikte insecticiden inademen; of de Filippijnen, waar jongetjes tot gevaarlijke diepten in zee moeten duiken om er visnetten te bevestigen.

Dat dit allemaal niet kan en niet mag zal ieder welvoelend mens helder zijn. Minder duidelijk is hoe en wat er aan kan worden gedaan. Op dit punt is er onder 'do gooders' zelfs sprake van een richtingenstrijd: tussen recht-door-zeese 'afschaffers'; tussen 'hervormers' die zich alleen op de ergste uitwassen willen concentreren; 'relativisten' die kinderarbeid zien als nauwelijks te vermijden 'bijwerking' van een sociaal-economische ontwikkelingsfase; of 'emancipeerders' die de wensen van het kind zelf centraal willen stellen en menen dat het moet kunnen werken als het zulks wenst.

De Internationale Arbeidsorganisatie ILO kwam vorig jaar met nieuwe schattingen over aantallen kinderarbeidertjes in de wereld onder de veertien jaar: zo'n kwart miljard, van wie de helft in Zuid-Azië, een derde in Afrika en de rest vooral in Latijns Amerika. Tot overmaat van ramp groeit hun aantal. Ben White, hoogleraar rurale sociologie aan het Haagse Institute of Social Studies (ISS), legt uit: “In voormalige socialistische landen die zich bekeren tot vrijere marktsystemen, zoals China, Vietnam, Cambodja of de voormalige Sovjet-Unie zie je een sterk krimpende rol van de overheden en een beperking van hun uitgaven, ook voor sociale zaken en onderwijs. Daardoor groeit op families de druk om kinderen te laten werken.”

De straffe saneringsprogramma's die veel arme schuldenlanden het afgelopen decennium van Wereldbank en IMF voor de kiezen kregen - als voorwaarde voor het verkrijgen van nieuwe leningen - waren macro-economisch niet zelden heilzaam, maar hadden eenzelfde stimulerend effect op kinderarbeid. “Onze ervaringen uit de eerste hand tonen dat de werkelijke aanpassingskosten buiten proportie worden betaald door de armsten”, aldus Carol Bellamy van Unicef. “Je ziet dan ook een groei van het aantal kinderarbeiders. In een land als Zimbabwe bijvoorbeeld, waar rapporten van de overheid en de ILO een direct verband leggen tussen het structurele aanpassingsprogramma en een explosie van kinderarbeid.”

Tegelijk kent in hetzelfde Westen dat deze structurele aanpassingen afdwingt, het enthousiasme voor het bestrijden van kinderarbeid de laatste tijd nauwelijks grenzen. Een eeuw geleden kampte het Westen op ruime schaal met hetzelfde probleem. Pas naarmate de Amerikaanse en Europese samenlevingen deze eeuw welvarender werden, konden families het zich daar permitteren hun kinderen beschermder en zonder harde dagelijke arbeid groot te brengen. “Nu eisen de kinderen en kleinkinderen van deze gelukkige generatie van Europeanen en Amerikanen een nieuw soort bescherming”, noteerde de Far Eastern Economic Review onlangs laconiek. “Als volwassenen eisen zij bescherming tegen Aziatische exporteurs die goedkope arbeid, onder wie kinderen, gebruiken om produkten te maken die kunnen concurreren op de wereldmarkten.”

Hoe dan ook, machtige Westerse lobbygroepen steunen vandaag de dag gevarieerde vormen van handelssancties of consumentenboycots tegen de import van Derde Wereld-produkten 'made with child labour'. Zo importeren veel Westerse tapijtverkopers, waaronder de Nederlandse keten Carpetland, alleen nog maar produkten vanuit Azië die voorzien zijn van het 'Rugmark'-keurmerk, een garantie dat er bij de produktie geen kinderarbeid is gebruikt. Rugmarks controle-apparaat wordt in India en Nepal mede gefinancierd door de Novib.

Afgelopen november werd op een bijeenkomst van de FNV over ethiek in de wereldhandel een nieuwe maatregel aangekondigd. De Nederlandse textieldetailhandel gaat een Stichting Eerlijk Handelshandvest oprichten die moet bevorderen dat in Nederland verkochte kleding kinderarbeidsloos wordt gefabriceerd. Sportwarengiganten als Reebok en Nike beconcurreren elkaar inmiddels met kinderarbeidsvrije waar.

Toen onlangs werd vastgesteld dat tijdens het EK-voetbal van de afgelopen zomer in Engeland was gespeeld met ballen uit het Pakistaanse Sialkot, waar kinderarbeid wijdverspreid is, maakte ook de doorgaans dicht bij de graspollen staande voetbalwereld een moreel hoogstandje. Van Ajax en andere Europese topclubs tot en met het Nederlands elftal en de overkoepelende Fifa, onderschreef iedereen een initiatief van de organisatie Child Right om voortaan slechts te spelen met door volwassenen genaaide voetballen. Naar verluidt nam de Amerikaanse baseball-liga soortgelijke maatregelen jegens hààr ballenproducenten in Midden-Amerika.

Toch zouden Westerse consumenten, die begrijpelijkerwijs nijdig worden als ze horen over kinderarbeid, er een doelwit bij moeten nemen, namelijk hun eigen regeringen. Daar zouden ze van moeten eisen dat die de importtarieven (van gemiddeld 15 tot 20 procent) die nu nog op textielprodukten uit arme landen worden geheven omlaag gaan of verdwijnen. Want die hoge importtarieven brengen fabrikanten in arme landen er immers eerder toe om goedkope kinderen in te schakelen.

Op dit heikele punt kent de hypocrisie van rijke landen trouwens weinig grenzen. Volgens de Journal of Commerce beloofde Washington onlangs tijdens het Akkoord inzake Textiel en Kleding om de komende drie jaar 16 procent van de totale Amerikaanse textiel- en kledingimport tariefvrij te maken. Dat betreft niet minder dan 278 artikelen. Maar wat blijkt? Niet één ervan was in het verleden onderhevig aan heffingen, dus verandert er voorlopig niets. Het betreft namelijk produkten als parachutes of veiligheidsriemen. “In de Europese Unie doen ze hetzelfde”, verzekerde de Journal of Commerce.

Intussen blijken recente Westerse sancties of boycotacties tegen kinderarbeid gebruikende producenten soms opvallend effectief. Zo halveerde vorig jaar de Pakistaanse tapijtproduktie als gevolg van een internationale campagne tegen kinderarbeid in die sector. In Bangladesh gooiden kledingproducenten onder dreiging van een buitenlandse boycot tienduizenden kinderen op straat. In andere 'bedreigde' landen als Honduras, Indonesië of Thailand gebeurde in mindere of meerdere mate hetzelfde.

Evenzo in Marokko. Het Nederlandse blad Onze Wereld beschreef afgelopen november onder de curieuze kop 'Kinderarbeid moet!' de droeve wederwaardigheden van ruim honderd meisjes van onder de vijftien jaar die in het Marokkaanse stadje Meknes werkten bij een toeleverancier van een Brits kledingconcern. Het werk was er zwaar en lang, maar zij en hun familieleden waren toch redelijk tevreden. Elke cent was immers welkom en op de overvolle scholen was voor hen nauwelijks plaats. “Zelfs met een diploma bleef je vaak werkloos”, wist het blad. “In de fabriek leerde je tenminste een handwerk en had je later meer kans op een baan.”

Op een dag verschenen er een paar vriendelijke Britse heren in het bedrijf in Meknes die tussen neus en lippen bij de 12 tot 14-jarige meisjes naar hun leeftijden informeerden. Kort nadien kwam de aap uit de mouw. De heren waren Britse tv-journalisten geweest die geheime opnamen hadden gemaakt en het Britse concern eiste prompt het ontslag van de meisjes in Meknes. Die zitten nu thuis of doen laagwaardiger en (nog) lager betaald werk. Vrijwel niemand belandde in de schoolbank. Een petitie onder het motto 'Wij willen weer aan het werk' hielp niet.

Goedwillende rijke noordelingen die broodroof plegen jegens armlastige zuiderlingen? Te gek voor woorden. Of niet soms? De ervaringen in Bangladesh geven evenzeer te denken. Daar werkten een paar jaar geleden nog zeker 75.000 kinderen van onder de veertien in de kledingindustrie, die tweederde van 's lands export verzorgt. Nadat de Amerikaanse Democratische senator Tom Harkin in Washington een wetsvoorstel had ingediend om voortaan mede door kinderen gemaakte kleding te boycotten, brak er onder de fabrikanten in de hoofdstad Dacca regelrechte paniek uit. Van de Bengaalse exportkleding gaat immers 60 procent naar de VS. Dus werden in 1993 de meeste kinderen weggestuurd.

Na vergeefse protesten van hen en hun ouders voerden Unicef en ILO in 1995 onderzoek uit onder de tienduizenden ontslagen kinderen. De helft zat nog zonder werk en de rest had dat wel gevonden, maar in het onbetaalde huishouden, in straatventerij, vuil verzamelen, steenvergruizen en vooral ook prostitutie. “Ze hebben nu werk dat nog lager betaalt, nog uitbuitender, riskanter of ongezonder is”, aldus Rolf Carriere, hoofd van het Unicef-bureau in Dacca.

Het blad Far Eastern Economic Review commentarieerde vorig jaar naar aanleiding van dit drama: “Westerse activisten die echt gemotiveerd zijn om Aziatische kinderen te helpen, moeten weten dat er zoiets bestaat als de Wet van de Onbedoelde Gevolgen. Die gaat werken als de externe politiek hardhandig tussenbeide komt in het natuurlijke groei- en veranderingstempo van een land, gebaseerd op zijn algemene ontwikkelingsniveau.” Van de circa 60.000 ontslagen kinderen in Bangladesh kwam er niet één op school terecht. Wat niet verbazingwekkend is in een land met een gemiddeld inkomen per hoofd van 230 dollar per jaar.

'Onderwijs zou een uitweg kunnen bieden maar voor velen is dat een onhaalbare kaart”, aldus de plaatselijke ILO-afgevaardigde Assefa Bequele. “Zelfs als er op papier gratis onderwijs bestaat, komen er andere kosten zoals leermiddelen, uniform of transport bij.” Bovendien blijkt zelfs een minimaal kindermaandloon vaak onontbeerlijk voor de familie.

Neem de 30-jarige Abul Fayez die drie jaar geleden met zijn 9-jarige zoon Bilal naar Dacca kwam nadat de veranderde loop van een rivier hun land had weggevaagd. Ze beginnen nu 's morgens om zes uur in het donker met het vergruizen van grote keistenen en leveren twaalf uur later een hoop grind af bij een bouwplaats voor 85 dollarcent. Fayez tegenover de Far Eastern Economic Review: “Zonder de hulp van Bilal zou ik gewoon niet genoeg geld hebben om eten te kopen.”

De Amerikaanse ambassade in Bangladesh, de ILO en Unicef waren zo gegeneerd door de gevolgen van senator Harkins kindlievend bedoelde boycotinitiatief dat ze vorig jaar een actie op touw zetten om extra scholen te bouwen voor de massaal ontslagen kinderen en hen tijdelijk met een 'stipendium' van 7 dollar per maand te steunen. Dat lukte deels, maar de werkgelegenheid van kinderen van veertien jaar en jonger in de textiel is vrijwel verdwenen. Tot wanhoop van velen, naar uit onderzoek blijkt.

“Het is een grote fout als we werkende kinderen onze modellen opleggen zonder eerst goed naar ze te luisteren”, zegt de socioloog prof. Ben White van het Haagse ISS. “Als je het ze zelf vraagt blijkt dat kinderen graag het recht hebben om te werken en geld te verdienen.” White wijst er op dat de Westerse media vooral aandacht besteden aan kinderen die in de industriële exportsectoren werken. Maar het gros van de Derde Wereld-kinderen is actief in het huishouden, de agrarische sector of het ambachtelijke familiebedrijf. Daar zijn de omstandigheden gemiddeld slechter en wordt nog minder betaald dan in de industrie waar maar een kleine minderheid van de kinderen werkt. “Het ironische is dat die industriële nijverheid in de stad zelfs een ontsnappingsmogelijkheid vormt voor kinderen uit de onbetaalde huishoudens en de geïsoleerde landbouwsector.”

Prof. White zet vraagtekens achter de Westerse opvattingen dat kinderen zeker tot hun vijftiende naar school moeten gaan en in hun vrije tijd bij voorkeur horen te spelen. “Allereerst passen die niet bij de historische realiteit”, zegt hij. “Zelfs in Europa met zijn algemene leerplicht zie je dat schoolgang en bijverdienen vaak worden gecombineerd. Verder passen zulke opvattingen niet bij de realiteit van de Derde Wereld. Als er geen plaats is voor kinderen op school, als er moet worden gewerkt om schoolkosten te kunnen betalen, als het geboden onderwijs slecht of irrelevant is, als je als kind gedwongen wordt jezelf en anderen met werk in leven te houden, dan is de notie van verplicht voltijdonderwijs niet erg realistisch.”

Volgens Ben White deed deze kloof tussen Westerse visie en Derde-Wereldrealiteit er nauwelijks toe toen er weinig werd gedaan om de kinderarbeid te bestrijden. “Het hele beeld is echter veranderd met de komst van de internationale lobby tegen kinderarbeid.” Zijns inziens tonen de ervaringen in landen als Bangladesh aan dat die lobby zich beter kan concentreren op extreme vormen van kinderuitbuiting en niet op hun algehele uitsluiting van de arbeidsmarkt.

White kant zich daarom tegen mede door de Novib en het FNV gesteunde acties als de 'Rugmark'-keurmerkcampagne om geen enkel met kinderarbeid (tot vijftien jaar) gemaakt produkt te importeren. “Vraag eerst maar eens naar de mening van de kinderen zelf”, suggereert de socioloog. “Waar mogelijk moet je hun situatie op de arbeidsmarkt proberen te verbeteren. Maar je moet ze er niet blindelings, zonder inzicht in hun situatie en zonder voorafgaande dialoog verwijderen. Want werk blijkt vaak de oplossing van hun probleem.”

Astrid Kaag, die zich bij het vakverbond FNV bezighoudt met kinderarbeid, meent daarentegen dat de noodzaak van onderwijs niet mag worden gerelativeerd. “Wij krijgen wel eens het verwijt dat we slecht naar de kinderen zelf luisteren”, zegt ze, “maar wij vinden dat je jonge kinderen niet alles kunt vragen, zeker niet waar het lange termijnzaken zoals onderwijs betreft. Je moet ze er naar toe overtuigen. Ook gebrek aan onderwijsfaciliteiten mag geen excuus zijn. Dan moet je daaraan werken.” Kaag kan zich evenmin vinden in Ben White's bezwaren tegen de Rugmark-campagne. “Het gaat hier niet om een boycot, maar om een aanbeveling aan de consument”, zegt ze. “Je hebt het recht te weten hoe iets wordt gemaakt.”

Toch meent ILO-functionaris Assefa Bequele: “Elke anti-handelsactie is schadelijk omdat handel één van de voornaamste motoren van economische groei is. En daarin schuilt de oplossing van het probleem van de kinderarbeid.” De commentator van de Far Eastern Economic Review is het daar hartgrondig mee eens. “In Zuid-Azië vormen de feodale gevolgen van een eeuwenoud kastesysteem één van de voornaamste bronnen van armoede en kinderarbeid”, schreef hij vorig jaar maart. “Buitenlandse handel en investeringen kunnen deze status quo ondergraven en hele massa's bevrijden. Het is uitermate neerbuigend om te veronderstellen dat miljoenen ouders in Azië hun kinderen liever hard laten werken dan naar school sturen. Zij weten dat hun kinderen ooit van vroegtijdige arbeid zullen worden bevrijd. Maar zij weten eveneens dat het in Europa en de VS ook lang duurde voordat kinderen het lot van dagelijkse arbeid kon worden bespaard.”

Nog een radicaler standpunt huldigt iemand als Clare Feinstein, coördinator van de International Workgroup on Child Labour, die werkt aan strategieën tegen kinderarbeid. Zij meent dat de strikte scheiding tussen werk en onderwijs eerder past bij de Britse upper class dan bij de Derde Wereld en dat het formele en schoolse onderwijs vooral een koloniale erfenis is. “Bovendien zijn er veel te weinig scholen”, stelde zij afgelopen november in Onze Wereld. Feinstein wil het kind zelf centraal stellen, meer zeggenschap geven over het eigen lot en zelf laten uitmaken in hoeverre het wil werken en/of onderwijs volgen. “Formeel onderwijs”, liet ze weten, “is niet de oplossing bij uitstek voor kinderarbeid maar maakt eerder deel uit van het probleem.”

Voor Novib-voorzitter Max van den Berg is dit vloeken in de kerk. “Het werk dat de armste kinderen van deze wereld moeten verzetten is vaak zwaar, ongezond en bijna altijd desastreus voor hun ontwikkeling”, stelt hij. “Het houdt hen gevangen in een vicieuze cirkel van armoede want de werkende kinderen van vandaag zijn de ongeschoolde en ongeletterde volwassenen van morgen.” Hij en zijn Novib staan dan ook pal achter de Rugmark-campagne om de invoer van met kinderarbeid gemaakte produkten uit Zuid-Azië te ontmoedigen.

Maar als dat zoals in het Marokkaanse Meknes of in Bangladesh leidt tot massa-ontslag voor kinderen die daarna in nog slechtere posities belanden, tot en met bedelarij en prostitutie? “Misschien zijn dat offers om met hulp van een veelzijdige aanpak een langer-termijndoel te bereiken”, overweegt Van den Berg. “Voorop blijft staan dat we er tegen zijn dat kinderen in slechte omstandigheden werken. Hoe krijg je dat gedaan? Onze lijn is preventief: zorg dat er meer scholen komen. Er zijn nauwelijks meer landen waar geldgebrek een doorslaand excuus mag zijn, zeker niet als je ziet wat er aan andere zaken, zoals wapens, wordt uitgegeven.”

De Novib-voorzitter vervolgt: “Het is een kwestie van druk uitoefenen. De publieke opinie, lokale en nationale autoriteiten moeten er geleidelijk toe worden geprest om meestal allang bestaande wetgeving tegen kinderarbeid te gaan toepassen.” Iets dergelijks speelde er, volgens Van den Berg, een eeuw geleden in Nederland. “Het was de veelzijdige aanpak van actievoeren, voorbeeldfunctie, sociale wetgeving en bovenal een verhoging van de onderwijsuitgaven die bij ons de kinderarbeid gaandeweg beteugelde en leidde tot een meer verantwoorde situatie.” Niets doen aan kinderarbeid onder verwijzing naar risico's zoals vervat in de Wet van de Onbedoelde Gevolgen noemt hij gevaarlijk. “Dan offer je wel erg veel op. Dat kan gewoon niet.”