De kleine keizer; Deng Xiaoping bracht China welvaart maar geen vrijheid

Hoe Deng Xiaoping de geschiedenis zal ingaan is onmiddellijk na zijn dood onmogelijk te zeggen, want over communistische leiders wordt zolang ze in leven en aan de macht zijn alleen maar goeds gezegd en vaak na hun dood alleen maar kwaads. Goed en kwaad komen ruimschoots aan bod in de levensloop van Deng Xiaoping, die sinds 1935 een van de steutelrollen en sinds 1978 de hoofdrol in China heeft gespeeld.

Om postume patricide op zijn voorganger Mao Zedong te voorkomen werd onder Dengs supervisie enkele jaren na Mao's dood in 1976 het historische vonnis over hem geveld. Hij was 70 procent positief geweest en 30 procent negatief, heette het. In deze context zei Deng tegen de Italiaanse schrijfster Oriana Fallaci in 1980 dat hijzelf met een vonnis van 50-50 heel tevreden zou zijn en toen moest nog komen wat door het nageslacht wellicht als zijn grootste fouten zal worden beschouwd: het ten val brengen van zijn twee liberale kroonprinsen en de bloedige onderdrukking van de studentenbeweging in 1989.

Dengs grote verdiensten zijn dat hij China uit de waanzin en verwoestingen van het Mao-tijdperk heeft gesleept, het land tot een deel van de wereld heeft gemaakt en vooral een dosis welvaart heeft gebracht. Maar hij heeft òf niets begrepen van de sociaal-psychologische evolutie en de politieke aspiraties van de Chinese mens die door zijn open-deurpolitiek en economische hervormingen is geïnspireerd. Of hij was machteloos ze met een adequaat beleid in goede banen te leiden. Deng Xiaoping had geen andere visie dan China een rijk en machtig land te maken, geen democratisch land - in dat opzicht stak hij gunstig af bij Mao Zedong die gedreven werd door het visioen van een communistische heilstaat onder een neo-traditionele keizer en geen middel schuwde om dat door te drijven.

Dengs programma heette de 'Vier Moderniseringen' (op het gebied van landbouw, industrie, wetenschap/technologie en defensie). De muurkrantenschrijver Wei Jingsheng, die in 1978 voor een vijfde modernisering - democratie - ijverde, liet hij vijftien jaar opsluiten. Deng wilde Mao's grillige tirannie echter wel vervangen door een constitutionele staats- en rechtsorde, rationele politieke procedures en een ordelijk systeem van opvolging - en in dit opzicht heeft hij grotendeels gefaald. Hij was na zijn terugkeer aan de macht vice-premier en wilde geen president, premier of partijleider zijn, maar stelde zichzelf boven de grondwet als taishang-huang, keizerlijk vader die achter de troon de opperste macht in handen houdt.

Deng had de realiteitszin om China's boeren uit de lijfeigenschap en verpaupering te bevrijden waarin Mao's communes hen gebracht hadden. Hij wist bovendien hun slimheid om rijkdom te creëren weer de vrije loop te laten. Deng wilde ook de almacht van de partij over de industrie breken en overwoog daartoe politieke hervormingen - maar op kritieke momenten deinsde hij telkens terug voor onberekenbare complicaties.

Op het hoogtepunt van zijn macht, midden jaren tachtig, nam hij een middenpositie in tussen de jongere, liberale vleugel van de partij en zijn orthodoxere leeftijdsgenoten. Naarmate de economische problemen verergerden en de eisen voor politieke hervormingen escaleerden, zocht hij zijn toevlucht tot de andere tachtigers, die in zijn ogen de beste garantie waren voor handhaving van stabiliteit en status quo. Bloedig geweld, stalinistische leugens en repressie waren zijn averechtse antwoorden op legitieme eisen voor politieke hervormingen in 1989.

Na het bloedbad van Peking leek Dengs carrière van zestig jaar als communistisch voorman voorbij. De linkse, orthodoxe krachten waren in opmars en Deng had het initiatief in de nationale beleidsvorming verloren.

Des te verbazingwekkender was het dat hij voorjaar 1992, 88 jaar oud, op spectaculaire wijze het heft weer in handen nam en over de hoofden van zijn koersloze opvolgers in Peking heen de regionale machthebbers in de ontwikkelde kustprovincies opriep de economische hervormingen van de jaren tachtig volledig te hervatten en te versnellen. Dat veranderde het imago van Deng van 'de man die in 1989 het leger inzette tegen de burgerij' in 'de man die de grootste economische hausse van de 20ste eeuw ontketende'.

Zijn economische nalatenschap wordt, hoewel chaotisch, als positief gezien. Zijn politieke nalatenschap is echter dubieus. De hoofdoorzaak van Dengs tekortkomingen is - zij het in mindere mate dan bij Mao - zijn gebrek aan kennis van de moderne wereld. Deng bracht als jongeman zes jaar in Frankrijk en een jaar in de Sovjet-Unie door, maar het is een misvatting dat hij daar gestudeerd heeft.

Deng werd in 1904 in een dorp in de buurt van Chongqing in China's grootste boeren-provincie Sichuan geboren. Zijn vader was de rijkste landbezitter van het hele gebied. In 1918 ging hij naar een Franse missieschool die leerlingen voorbereidde op 'werkstudies' in Frankrijk. In 1920 vertrok hij per schip naar Marseille en op een soort Mulo in Bayeux leerde hij elementair Frans. Om financiële redenen staakte hij het schoolgaan, werkte bij Renault en werd lid van de Chinese Communistische Jeugdliga. Een van zijn taken was het weekblad 'Rode Gloed' te drukken, hij kreeg daarvoor de bijnaam 'doctor in de mimeografie'.

Hij verliet Frankrijk overijld in 1926, op de vlucht voor de Franse politie wegens mogelijke betrokkenheid bij moordaanslagen op anticommunistische Chinese studenten. Hij bracht vervolgens een jaar door op de 'Universiteit voor de Werkers uit het Oosten', een Comintern-instituut voor het trainen van Chinese revolutionairen in Moskou. De lessen in marxistisch-leninistische theorie interesseerden Deng weinig. Hij had alleen belangstelling voor de praktijk van de revolutie. In 1927 keerde hij terug naar China en werd politiek instructeur op de militaire academie van de 'christelijke maarschalk' Feng Yu-hsiang in Xian in het noordwesten, maar die brak kort daarop met de communisten. Deng vertrok naar het zuiden en werd propagandadirecteur in de Chinese 'sovjet' in de provincie Jiangxi, waar hij in contact kwam met Mao. In het conflict tussen Mao en de bolsjewieken in Shanghai over wat voorrang moest hebben, boeren- of stadsrevolutie, koos Deng Mao's zijde.

De communisten moesten tijdens de 'anticommunistische uitroeiings-campagnes' van de Kwomintang de Jiangxi-sovjet opgeven en begonnen eind 1934 de 'Lange Mars' naar Shaanxi in het noordwesten. Deng werd Mao's man in het leger die een oogje moest houden op de politieke loyaliteit van de generaals.

In 1948 werd hij politiek commissaris van het Tweede Veldleger, dat een leidende rol speelde in de 'Huai Hai-campagne', het 'Chinese Verdun' aan de Huai rivier in de provincie Jiangsu. In drie maanden werden 550.000 man van het Kwomintang-leger vernietigd. Hoewel Deng geen operationeel bevel voerde, droeg de overwinning aanzienlijk bij tot zijn politieke status.

Na de 'bevrijding' in 1949 werd Deng partij-secretaris van het zuidwest-bureau, het hoofdkwartier van vier provincies en burgemeester van Chongqing, de grootste stad van zijn geboortestreek. In tegenstelling tot Mao ging hij nooit terug naar zijn geboortedorp Xiexing. Hij keek nooit om naar het verleden. Hij had geen nostalgische, romantische, artistieke momenten zoals Mao, maar deed zijn best om altijd bikkelhard te zijn. Hij moedigde boeren aan om grondbezitters te vermoorden “omdat als zij eenmaal bloed aan hun handen hadden zij loyaal aan de partij zouden zijn”. In 1952 werd hij vice-premier en in 1954 secretaris-generaal van het Centrale Partijcomité en lid van het politburo. In 1957 was hij regisseur van Mao's anti-rechtse beweging, die de levens van miljoenen intellectuelen ruïneerde.

Hij heeft dat nooit betreurd en in 1980 alleen gezegd dat de schaal van de onderdrukking te groot was geweest. In 1958 steunde Deng, evenals de meeste topleiders, Mao's riskante avontuur: de 'Grote Sprong Voorwaarts', die een hongersnood veroorzaakte waarin ten minste 20 miljoen mensen om het leven kwamen. In 1961 stelde hij - samen met president Liu Shaoqi - een pragmatisch wederopbouwprogramma voor de ontredderde economie op, waarmee Mao gemarginaliseerd werd.

Uit die periode stamt zijn beroemde lijfspreuk: “Het doet er niet toe of de kat wit of zwart is, zolang ze maar muizen vangt.” Deze uitspraak is jarenlang door ultra-linkse inquisiteurs aangegrepen als bewijs voor Dengs rechtse, kapitalistische opportunisme. Hij had deze uitspraak gedaan tijdens de hongersnood die volgde op de 'Grote Sprong' als aansporing om meer rijst te produceren.

Mao was vier jaar in het defensief, maar met de steun van het leger onder maarschalk Lin Biao en de mobilisatie van middelbare scholieren, de Rode Gardisten, greep hij weer de macht. Liu en Deng werden weggezuiverd als de 'twee top-kapitalisten in de partij', maar Deng kwam er in vergelijking met Liu goed vanaf. Zhou Enlai beschermde Deng en ook Mao wilde hem niet definitief uit de weg ruimen. Hij was immers zijn oude trouwe knecht voor speciale taken. Deng werd na twee jaar opsluiting met zijn gezin, onder wie zijn door Rode Gardisten verminkte zoon Deng Pufang, gedeporteerd naar Jiangxi waar hij als draaier in een fabriek te werk werd gesteld.

Al in 1971 stuurde Mao een generaal om Deng te vertellen dat als hij zou 'bekennen' “opperhoofd van een anti-Mao nest” te zijn geweest, hij gerehabiliteerd zou worden. Deng vroeg in twee brieven vergiffenis en in 1973 keerde hij terug naar Peking. Na jaren van extreem-links geweld moest er rust en stabiliteit komen en Deng was de man om die te brengen. Premier Zhou Enlai was in het laatste stadium van kanker en ook Mao naderde zijn einde.

In deze situatie was Deng in 1974-1975 de facto premier, maar de machtige op Mao leunende links-radicale vleugel stond hem naar het leven, omdat hij de Culturele Revolutie in diskrediet wilde brengen en terugkeren naar de status quo ante. Na de dood van premier Zhou Enlai in januari 1976 volgde er onmiddellijk een linkse mobilisatie tegen Deng. Een grote demonstratie tegen ultra-links op het Plein van de Hemelse Vrede, begin april 1976, was de aanleiding om Deng, met de zegen van de seniele Mao, opnieuw te ontslaan uit al zijn functies. In september ging Mao Zedong, de 'Rode Zon', zelf onder.

Mao's ultra-linkse hofhouding, de zogenoemde Bende van Vier, werd gearresteerd - dit was het keerpunt waarop Deng opnieuw aan de macht zou komen, maar het duurde nog tien maanden voordat de weerstand van de resterende Mao-loyalisten daartegen was gebroken. Na het schrijven van twee kruiperige brieven aan Mao's opvolger, premier en partijvoorzitter Hua Guofeng, dat hij geen andere ambitie had dan diens “assistent en hulp” te zijn, keerde Deng in juli 1977 terug in de functie van vice-premier. Hij werd meteen China's belangrijkste woordvoerder in de buitenlandse politiek en eind 1978 op het historische Derde Plenum van het Elfde Partijcongres ontstond er een vage, stilzwijgende consensus dat hij China's toonaangevende leider zou zijn. Zijn economische agenda werd: hervatting van het onideologische beleid van begin jaren zestig, decollectivisering van de landbouw en introductie van een familiegewijs contractsysteem voor boeren, en eerherstel voor intellectuelen, met name beta-wetenschappers tot een ideologisch vrijgestelde avant-garde.

Op politiek gebied waren zijn prioriteiten: bestrijding van de restanten van het maoïsme, scheiding van partij en staat en (opmerkelijk) verruiming van de democratie. Jonge activisten grepen dat aan om najaar 1978 een muurkrantenbeweging voor democratie te beginnen die snel de marges die Deng voor ogen had te buiten ging. Met 'meer democratie' had Deng bedoeld verbetering van het democratische centralisme, dat wil zeggen de interne partijdemocratie. De activisten wilden échte democratie, een meerpartijenstelsel en een vrije pers.

Dengs antwoord waren de 'vier principes', die tot op de dag van vandaag de stok zijn om alles wat liberaal is te slaan: “Houdt hoog de almacht van de partij, de dictatuur van het proletariaat, de socialistische weg en het marxisme-leninisme/denken-van- Mao-Zedong.” Net als Gorbatsjov later vestigde Deng zijn internationale prestige met de normalisering van de betrekkingen met de Verenigde Staten eind 1978, meteen gevolgd door zijn invasie van Vietnam. Militair werd het een nederlaag, maar strategisch was het zeer vooruitziend omdat het tot een coalitie met het Westen tegen het hernieuwde Sovjet-expansionisme leidde, die uiteindelijk resulteerde in de Vietnamese aftocht uit Cambodja en de Russische uit Afghanistan.

Deng was voornemens om de nieuwe orde te institutionaliseren door middel van ingrijpende 'politieke hervormingen'. Dengs onwetendheid en grove ideologische blindheid voor Westerse democratie in zijn eerste belangrijke rede over dit onderwerp in augustus 1980 waren schokkend. Hij zou democratie met meer substantie creëren dan in het Westen “waar de wet van de jungle en het principe om vooruit te komen ten koste van anderen heerste”. Uiteindelijk kwam het niet verder dan enige administratieve maatregelen die het meest grove machtsmisbruik van communistische potentaten aan banden beoogden te leggen.

Volgens een later bekend geworden versie van Dengs toespraak van 1980 steunde hij veel radicalere voorstellen, onder andere een volksvertegenwoordiging met twee Kamers, waarin een Kamer van regionale en een van functionele (partij) vertegenwoordigers, vrije verkiezingen voor de leiders van de officiële vakbonden en een onafhankelijke pers.

Als deze latere versie van Dengs intenties authentiek is, is de conclusie dat hij wel wilde maar niet machtig genoeg was om zijn zin door te drijven. Er kwam - dankzij partijleider Hu Yaobang - meer tolerantie en flexibiliteit op cultureel en literair gebied, maar als gunst van boven, niet als gecodificeerd recht. Het Deng-regime had zijn macht geconsolideerd als een informele oligarchie vol contradicties, waarbij vice-premier Deng, na 1982 alleen nog voorzitter van de Centrale Militaire Commissie, achter de schermen arbitreerde en meestal, maar niet altijd, het laatste woord had.

Om obstructie tegen economische hervormingen tegen te gaan wilde Deng de hoogbejaarden - behalve zichzelf - met pensioen sturen. Toen de weerstand te sterk was, liet hij een Centrale Advies Commissie in het leven roepen.

Aanvankelijk was die bedoeld als een politiek theehuis, maar het werd een nieuw machtsorgaan, dat de vrijheid van handelen van de jongere reformisten belemmerde, zoniet saboteerde. China was nu een geïnstitutionaliseerde gerontocratie. Nu de bejaarden zich niet lieten vervangen was het alternatief om jongeren naast hen te benoemen. Zo werd de regeringsstructuur steeds onharmonischer en irrationeler.

Pleidooien om een rigoureuze zuivering van (ultra-)links te ondernemen nam Deng niet ter harte, want op ideologisch gebied was hij zelf links. Orthodoxe ideologen overreedden hem eind 1983 tot een campagne tegen 'geestelijke verontreiniging' als gevolg van Westerse invloed, maar toen premier Zhao Ziyang hem waarschuwde dat de primitieve klopjacht op liberale intellectuelen, kunstenaars, Westerse kleding, meisjes met minirokken en zelfs boeren met bankrekeningen schadelijk was voor de economie en het investeringsklimaat, gelastte Deng weer om deze stop te zetten.

In de jaren 1984-1986 was het liberale getij op zijn hoogtepunt en werd het minst van Deng gehoord. In maart 1986 keerde hij terug van 14 weken afwezigheid en vertelde een buitenlandse gast dat hij zo wilde aantonen dat de economische hervormingen intact zouden blijven zonder hem. “Als ik er niet meer ben zullen Hu Yaobang en Zhao Ziyang de hemel hoog houden”, werd zijn favoriete citaat.

Maar de hervormingen dreigden steeds meer te verzanden in de archaïsche politieke structuur, waarin geen enkel effectief controle-orgaan bestond. Deng werd pas opnieuw overtuigd van de noodzaak van lang achterhaalde politieke hervormingen met het marxistische argument dat de politieke bovenbouw in harmonie moet zijn met de economische onderbouw. De intensieve debatten daarover gedurende de zomer van 1986 leidden tot de eerste grote golf van studentendemonstraties in december 1986. Die bereikten precies het tegenovergestelde van wat de demonstranten en hun achterban beoogden.

Deng schaarde zich aan de zijde van zijn medebejaarden, die al sinds 1983 samenzweerden om Hu Yaobang ten val te brengen. Deng beschuldigde Hu van slap leiderschap tegenover bourgeois-liberalisering, de grootste bedreiging voor stabiliteit en eenheid. In 1987 waren Dengs politieke gemoedswisselingen het meest opzienbarend. Na de putschistische afzetting van Hu Yaobang in januari zei hij nog dat het grootste gevaar voor China nu van rechts kwam, maar toen de linkse krachten meenden dat de weg daarmee vrij was voor een complete orthodoxe renaissance oreerde Deng in april al dat het werkelijke gevaar toch van links kwam.

Hij gaf complete steun aan de liberale Zhao Ziyang als partijleider, maar kon niet voorkomen dat Li Peng, de lieveling van de stalinisten, de nieuwe premier werd. De chaotische half-hervormde economie raakte in 1988 wegens prijsverhogingen, inflatie en corruptie in een explosieve sociale crisis. Li Peng besloot tot een prijsstop voor vijf jaar, die wellicht de pijn zou verlichten maar ook zeker verlengen. Overreed door Zhao drong Deng Xiaoping zelf op onmiddellijke verdere prijsliberalisering aan en toen die ontaardde in een golf van hamsterwoede en een run op banken, zegde Deng zijn steun aan Zhao op.

Deng maakte wellicht de ergste misrekening van zijn leven in april 1989, na de eerste studentendemonstraties. Voor hèm brachten de schreeuwende studenten met hun spandoeken het schrikbeeld van de hordes Rode Gardisten tijdens de Culturele Revolutie terug. In de algehele crisissituatie was er maar één simpele oplossing: zo snel mogelijk en gewelddadig onderdrukken. In een dreigende rede bestempelde hij de protesten als een “samenzwering van een handvol saboteurs om het hele land moedwillig in chaos te storten en voor eens en voor altijd de heerschappij van de Communistische Partij en het socialistische systeem te ondermijnen”.

Dezelfde woorden werden de volgende dag gebruikt in een hoofdartikel van het Volksdagblad. Het hoofdartikel werd de cause célèbre en intrekking was de belangrijkste eis van alle volgende protestmarsen. Maar dat was uitgesloten. De keizer had gesproken. Zhao Ziyang trachtte Deng tevergeefs tot rectificatie te overreden en bepleitte een vreedzame oplossing. Tijdens de kritieke confrontatie tussen de twee zei Deng dat hij het leger achter zich had, waarop Zhao zei: “En ik het volk.” Dengs antwoord was: “Dan heb je dus niks.”

Kort daarop, in de nacht van 3 op 4 juni 1989, volgde het bloedbad, waarvan de omvang nog steeds omstreden is. Maar achteraf bezien was Dengs reflexmatige afwijzing van vreedzame middelen voor de aanpak van vreedzame protesten door ongewapende burgers het meest schokkend. Revanche wegens ongehoorzaamheid aan de keizer, niet het herdefiniëren van de morele autoriteit van de regering gaf voor hem de doorslag. In de onmiddellijke nasleep gaf Deng de toon aan voor een nieuwe golf van xenofobie. Het regime was geen agressor tegen de eigen bevolking maar het slachtoffer van Westerse, vooral Amerikaanse, inmenging en komplotten. De werkelijke oorzaak, zijn falen om tijdig politieke hervormingen door te voeren, bestond voor hem niet.

Deng gaf in november 1989 zijn laatste post, voorzitter van de Centrale Militaire Commissie op, verdween uit het oog en zou wellicht niet meer in de openbaarheid zijn teruggekeerd als hij niet zo gefrustreerd was geweest over het halfslachtige linkse zig-zagbeleid van zijn derde aangewezen opvolger Jiang Zemin. Met zijn spectaculaire come-back, voorjaar 1992, brak hij de impasse in de hervormingen en bracht hij de nieuwe fase van economische hyper-groei op gang. Daarmee deed hij opnieuw zijn diepgewortelde overtuiging gestand dat alleen een hard, economisch machtig China en niet een zacht, democratisch China à la India door de wereld serieus zou worden genomen.

China lijkt nu onomkeerbaar gefixeerd in de opmars naar de status van (economische) supermacht. Lijkt, want de sociale en morele chaos die de laatste explosie van economische groei heeft gecreëerd kan evengoed nog tot politieke implosie en sociale catastrofe leiden en het begeerde doel voor onbepaalde tijd vertragen.

Deng Xiaopings binnenlandse reputatie op langere termijn zal worden bepaald door de ernst en duur van de sociale problemen van de chaotische overgangssamenleving en door wat zijn onzekere opvolgers met zijn erfenis zullen doen. Zijn internationale reputatie staat al min of meer vast. De wereld bekijkt dankzij hem China met commercieel opportunisme. Hij was de man die China met harde hand grote economische groei bracht, maar geen vrijheid, geen menselijkheid, geen respect.