Beroepsonderwijs; Geworstel met theoretische ballast

Het voorbereidend beroepsonderwijs is onderschat en ondergewaardeerd. Het moet dus maar weer eens op de schop.

WAT IS ER GEBEURD met de ambachtsschool? Die bestaat niet meer. Eerst werd dit schooltype omgedoopt tot lager beroepsonderwijs, het LBO. Later, in 1992, kwam er weer een andere naam: voorbereidend beroepsonderwijs, het VBO.

De naamswijzigingen lijken te wijzen op een opwaardering van dit beroepsonderwijs aan 12- tot 16-jarigen. Maar de vernieuwing staat niet stil.

Er is een volgende wet onderweg, waarbij het VBO alweer een andere naam krijgt. Het wordt straks, na samenvoeging met de Mavo, omgedoopt tot voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs, het VMBO.

B. Zweers, rector van het Dollard College in Winschoten, ziet met lede ogen aan hoe het VBO de laatste jaren in de verdrukking is geraakt. Het beroepsonderwijs moet steeds meer terrein prijsgeven aan het algemeen vormende onderwijs. Het Dollard College - een 'brede scholengemeenschap' met 2.600 leerlingen in VBO, Mavo, Havo en VWO - heeft nog weinig te klagen. Het telt zeshonderd leerlingen in het derde en vierde jaar van het VBO, verdeeld over twaalf afdelingen. Door deze omvang zal het Dollard College weinig last hebben van de grootscheepse operatie die het VBO te wachten staat. Maar tal van andere afdelingen in het land moeten binnen afzienbare tijd worden samengevoegd of worden zelfs bedreigd met opheffing. De scherpe terugval van het aantal leerlingen, procentueel en in absolute aantallen, eist zijn tol.

Het VBO wordt onderschat en ondergewaardeerd, meent rector Zweers. “En bedenk wel dat de toekomstmogelijkheden van mensen voor een belangrijk deel tussen hun twaalfde en hun zestiende worden bepaald. Wij werken met heel kwetsbaar materiaal.” De rector hanteert een eenvoudige definitie van goed onderwijs. “Dat is het optimum voor de leerling willen bereiken, waarbij rekening wordt gehouden met capaciteiten en milieu.”

Zweers vindt dat politici te veel over topprestaties praten. En dan kijken ze eerder naar de bovenkant van de onderwijspiramide dan naar de veel bredere en zogenaamd minder spectaculaire basis. Intussen wordt het belang van zeer grote aantallen kinderen over het hoofd gezien. Van de ruim 850.000 leerlingen in het voortgezet onderwijs volgt tweederde een opleiding onder het niveau van Havo en VWO.

Een VBO-diploma betekent voor de helft van de leerlingen het einde van de schoolloopbaan. Zij moeten dan, 16 à 17 jaar oud, hun weg vinden op de arbeidsmarkt, met alle problemen van dien.

In de nieuwe plannen voor het VMBO komen na de twee jaar basisvorming in het derde en vierde jaar zogenoemde 'leerwegen'. De leerlingen van VBO en Mavo kunnen dan kiezen uit drie richtingen: de theoretische richting op de Mavo, de beroepsgerichte richting in het VBO (in twee varianten, kort en lang) en dan nog een gemengde richting voor scholengemeenschappen met VBO en Mavo. Die richtingen zijn er in verschillende sectoren: techniek, economie, zorg en welzijn en de agrarische sector. De schoolvakken zijn dan ook nog eens opgesplitst in drie delen: een basisdeel, een kerndeel en een verrijkingsdeel.

Het is de bedoeling dat deze nieuwe opzet ingaat in het schooljaar 1998/1999, zodat vier jaar later, in 2002, voor het eerst de examens nieuwe stijl kunnen worden afgenomen. Na VMBO kunnen de leerlingen verder naar het middelbaar beroepsonderwijs (MBO). Dat is er in twee varianten: kort-MBO (2 of 3 jaar) en lang-MBO (4 jaar).

De ambitie van het toekomstige VBO blijkt al uit de nieuwe naam: veel meer dan de helft van het aantal VMBO-leerlingen zou de opleiding moeten voortzetten in het MBO. En wie het in het VMBO niet redt, hoeft nog niet ongekwalificeerd de arbeidsmarkt te betreden. Deze leerlingen kunnen straks terecht in het zogenoemde praktijkonderwijs. In onderwijsjargon staat daarover vermeld: “Primaire functie van het praktijkonderwijs is toeleiding naar een functie op de arbeidsmarkt.”

Tot zover het nieuwe beroepsonderwijs in theorie. Deskundigen uit de praktijk tonen zich sceptisch. In Dekanoloog, het verenigingsblad van schooldecanen, staat in het nummer van deze maand een open brief aan de bewindslieden van Onderwijs en aan de volksvertegenwoordiging van de hand van H. Kerstens, docent elektrotechniek en informatica en tevens decaan aan het Brandenberg College in Landgraaf. Hij keert zich scherp tegen het besluit van staatssecretaris Netelenbos om het aantal uren voor beroepsgerichte vakken in het derde en vierde jaar van het VMBO terug te brengen van plusminus 18 uur tot 12 uur per week op een totaal van 30 lesuren, ten gunste van algemeen vormende vakken als Nederlands, wiskunde, natuurkunde en maatschappijleer.

Kerstens: “Veel theoretische ballast, ook in de beroepsgerichte vakken, wordt in de verdere beroepspraktijk van deze kinderen niet of nauwelijks gebruikt.”

Hij vreest dat deze leerlingen “definitief tussen wal en schip raken, compleet met hun zogenaamde avo-kennis”. Kerstens ziet gebeuren dat de kinderen in het VBO “een steeds moeilijker wordende strijd” moeten voeren met de Mavo-leerlingen die zich nu eenmaal cognitief sneller kunnen ontwikkelen. Kerstens wil de VBO-leerlingen hun trots teruggeven, die hij typeert als: “Ik kan wat, ik beteken wat voor de maatschappij en dus voor mijzelf.”

Tegenkrachten zijn er ook in Capelle aan den IJssel, waar het technisch IJsselcollege vorig jaar het aandeel van de praktische vakken in het onderwijs heeft vergroot. In het derde en vierde leerjaar, na de basisvorming, is niet meer eenderde deel maar de helft van het wekelijkse lesrooster ingeruimd voor praktijkvakken, ten koste van de algemeen vormende vakken. De werkgeversorganisatie in de metaal- en elektrosector, FME-CWM, die dit initiatief financieel ondersteunt, heeft het technische college in Capelle al provocerend “de nieuwe ambachtsschool” genoemd. De FME is van oordeel dat er meer nadruk moet worden gelegd op vakmanschap en dat het huidige 'theoretische' voorbereidende onderwijs de leerlingen maar ontmoedigt.

H. Snik, directeur van de sector beroepsonderwijs van de scholengemeenschap Da Vinci College in Leiden, is een andere mening toegedaan. Hij is juist voorstander van een breder en algemener vakkenpakket in het VBO. De algemeen vormende vakken bieden, aldus Snik, “juist kansen om leerlingen beter toe te rusten voor het MBO.” Ouders stellen hem vragen over een mogelijk vervolg op het VBO. Snik, gedecideerd: “Dat moet je dan kunnen aanbieden.” Tijdens een rondgang door zijn school (1.200 leerlingen op drie locaties) laat Snik zien wat zijn school te bieden heeft aan lokalen, werkplaatsen en oefenruimtes met computers. Het VBO is in zijn visie beslist geen 'restonderwijs' en ook geen eindonderwijs.

De vernieuwing van het beroepsonderwijs zal er in de praktijk op neerkomen dat de leerlingen nog langer in de schoolbanken zitten. De socioloog dr. Geert de Vries, verbonden aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam, zet vraagtekens bij een langere 'leerweg'. In zijn dissertatie Het pedagogisch regiem (1993) hekelt hij het overdreven belang dat aan diploma's wordt gehecht. Hij noemt het 'diploma-fetisjisme'. Het gaat werkgevers niet zozeer om wat de kinderen hebben geleerd. Voor hen is belangrijker dat hun toekomstige werknemers ooit hebben laten zien op welk niveau zij een opleiding hebben voltooid. De Vries is het niet eens met minister Ritzen die als onderwijseconoom een aanhanger is van de 'human capital theory'. In de visie van Ritzen kan er eigenlijk geen overscholing bestaan. Meer kennis is in zijn ogen per definitie beter, aldus De Vries.

Hij betreurt het dat de praktische component in het beroepsonderwijs steeds meer wordt “uitgesteld, ondergraven en uitgehold”. De leerlingen zitten steeds langer op school en het curriculum wordt verder 'veralgemeniseerd' met algemeen vormende vakken. Maar volgens De Vries zijn die algemeen vormende vakken “onbegrensd”. Hij vraagt zich af of het VBO zich wel steeds meer in die richting moet ontwikkelen. “Je ziet hele rare paradoxen. De jongeren zijn eerder rijp, ze hebben meer geld, ook door bijbaantjes en ze hebben veel meer vrijheid. Maar tegelijk verkeren ze veel langer in een gedwongen positie. Ze moeten veel langer wachten.”

Het verbaast de socioloog niet echt dat die paradox zich af en toe uit in “klieren, draaien en spijbelen”. Daarom denkt hij dat de praktische component in het VBO meer naar voren moet komen. “Laat ze snel sleutelen aan auto's, maak ze eerder wegwijs in elektrotechniek.” In zijn proefschrift schrijft De Vries: “De ironie wil - echt leuk is het niet - dat de problemen van drop-outs, randgroepjongeren, vandalen en andere jeugdige wilden grotendeels worden veroorzaakt door de norm van langdurige en voor sommigen onuitzitbare onderwijsdeelneming.”