BASISVORMING

De basisvorming, zo heet het lesprogramma dat middelbare scholen al hun eersteklassers voorschotelen. Een verwarrender naam hadden beleidsmakers niet kunnen bedenken. Wie de basisschool heeft doorlopen, heeft niet zijn basisvorming afgerond, nee, het is de basale vorming die volgt na de basisschool. De basisvorming duurt twee, drie of vier jaar, dat mogen scholen zelf weten.

Tussen de basisvorming en de lessen op de basisschool bestaat een wereld van verschil. De vertrouwde groepsleerkracht maakt plaats voor vijftien verschillende vakdocenten. Er komen ten minste vijftien uiteenlopende vakken aan bod: Nederlands, Engels, Duits of Frans, geschiedenis, aardrijkskunde, informatiekunde, economie, wiskunde, natuur- en scheikunde, biologie, verzorging, informatiekunde, techniek, gymnastiek en twee kunstvakken naar keuze. Elke schoolweek beslaat minimaal 32 lesuren van meestal 50 minuten.

De basisvorming werd in 1993 voor alle typen voortgezet onderwijs ingevoerd, of leerlingen nu in een brugklas voor Mavo/voorbereidend beroepsonderwijs zitten of op een zelfstandig gymnasium. Zo'n gemeenschappelijk lesprogramma zou ertoe leiden dat leerlingen hun schoolkeuze uitstellen tot na omstreeks hun vijftiende jaar, zo redeneerde de Tweede Kamer.

Maar het streven naar meer gelijke kansen botste met de schoolpraktijk. De basisvorming bevordert juist een vroege keuze van schooltype, direct na de basisschool, zo blijkt uit onderzoek. Scholen stappen massaal af van 'heterogene' brugklassen met kinderen van alle niveau's.

De reden? Ouders pruimen de 'allegaartjesklas' niet, en leraren weten niet hoe ze een klas van leerlingen met uiteenlopende kwaliteiten en capaciteiten dezelfde kennis en vaardigheden moeten bijbrengen. Want dat laatste is een ander 'speerpunt' van de onderwijsvernieuwing. In de basisvorming moeten leraren hun leerlingen naast weetjes ook vaardigheden bijbrengen. Dat is voorwaarde in het 'informatietijdperk'.

In de praktijk worden leerlingen op zeven van de tien middelbare scholen voorgesorteerd naar schooltype. Leerlingen komen terecht in een brugklas VBO/ Mavo, Mavo/ Havo, Havo/ VWO of VWO en worden na een of twee jaar 'definitief' verwezen naar een schoolsoort, op weg naar het einde van de basisvorming die ze voor elk vak afsluiten met een eindtoets op verschillende niveau's. Want van de identieke eindtoetsen is men afgestapt. Ze bleken te moeilijk voor de leerlingen op het IVBO en te makkelijk voor de leerlingen die het VWO volgen.

De basisvorming laat scholen de ruimte om zeven van de 32 les

uren in een week naar eigen inzicht te vullen. Sommige scholen geven in die tijd extra lessen in vakken van de basisvorming, in andere gevallen wordt gekozen voor mentor-uren, godsdienstles, Turks, Arabisch of extra studiebegeleiding. Op sommige schooltypen is de ruimte beperkt: op een zelfstandig gymnasium gaan de lessen veelal op aan Grieks en Latijn en op Havo en VWO is een derde moderne vreemde taal verplicht.Via de medezeggenschapsraad kunnen ouders invloed uitoefenen op de vrije ruimte.

Scholen kunnen leerlingen na overleg met de ouders vrijstelling geven voor een van de vijftien vakken van de basisvorming. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren als het voor een leerling te zwaar is twee moderne talen te volgen.