Werken bij Verkade; Het was oergezellig

Werken in de fabrieken van tientallen jaren geleden wordt zelden als een pretje voorgesteld. Maar voor de meisjes van Verkade ligt dat anders. Niets dan goede herinneringen hebben ze aan de lopende band bij de koek- en snoepfabriek. Een raadsel.

Ruytermeisjes en Verkadevrouwen. Een eeuw vrouwenarbeid bij de Zaanse zoetwarenfabrikant. Door Ineke Hogema en Ivonne van der Padt. Uitg. Scriptum, ƒ 39,80

Dag in dag uit, jaar in jaar uit met de hand of aan de lopende band beschuiten in bussen, koekjes in blikken en snijkoeken in wikkels doen, of kersen ontpitten voor kersenbonbons, of Café Noir glazuren - wat moeten de duizenden meisjes en vrouwen van Verkade in de loop van honderd jaar onder de eentonigheid van hun werk hebben geleden! Het tegenovergestelde is het geval als wij de betrokkenen zelf mogen geloven. Ruim zestig van hen komen aan het woord in het door Ineke Hogema en Ivonne van der Padt samengestelde boek met het formaat van een Verkade-album Ruytermeisjes en Verkadevrouwen, Een eeuw vrouwenarbeid bij de Zaanse Zoetwarenfabrikant, en voor driekwart hebben de ondervraagden niets dan heerlijke herinneringen.

Op 2 mei 1886 maakte Ericus Verkade te Zaandam een start met zijn Stoom Brood & Beschuitbakkerij 'De Ruyter', vermoedelijk zo genoemd naar een gelijknamige molen uit de buurt. De eerste vijf jaren werkten bij het bedrijf uitsluitend mannen en jongens (veertien bakkers en bakkersknechten), totdat in 1891 de eerste zes meisjes in dienst kwamen voor het schuren en wassen van beschuitblikken, “een echt vrouwelijk werkje” aldus de auteurs. Vanaf 1901 werden de eerste meisjes ingezet bij het verpakken van beschuiten, niet alleen omdat zij zo goedkoop waren, maar ook omdat zij rankere vingers hadden, meer geschikt voor de omgang met broze beschuit. In de respectievelijk in 1911 en 1919 begonnen koekjes- en chocoladefabriek waren het eveneens ongeschoolde meisjes, voor het grootste deel afkomstig uit Amsterdamse volksbuurten, die bij het inpakken en bepaalde onderdelen van de produktie werden ingezet.

Over de ervaringen van de Verkademeisjes uit de eerste 25 jaar van het bestaan van de fabriek is niets gedocumenteerd. De oudste geïnterviewde werkneemster, de in 1901 geboren Jordanese Anna Breuk-Kirsten, laat haar verhaal beginnen in 1915 toen zij met alleen lagere school in de koekjesfabriek van Verkade kwam te werken: “Mijn vader wilde niet dat ik naar de fabriek zou gaan, die had liever gewild dat ik in een dienstje ging. Mijn moeder was altijd keukenmeisje geweest en zei tegen mijn vader dat ze niet wilde dat ik ging dienen. 'Ik heb het zelf meegemaakt, laat ze maar naar de fabriek gaan', zei ze.” Dienstmeisjes liepen volgens de moeder van Anna allerlei beroepsrisico's, zoals avances door de heer of zonen des huizes, en verdienden nog minder dan in een fabriek. Daar stond tegenover dat fabrieksarbeid voor meisjes, ook in lagere sociale milieus, na prostitutie werd gezien als het minste van het minste en als een slechte voorbereiding op een later bestaan als huisvrouw en moeder.

Via een buurmeisje dat bij Verkade werkte kwam Anna daar voor vier gulden per week in dienst. Eerst moest ze blikken met koekjes vullen, daarna kwam ze tot haar volle tevredenheid terecht op de afdeling waar Café Noir werd geglazuurd: “Bij de Café Noir kon je lekker zitten. De biscuits werden op tafel gegooid. Dan had je een bak glazuur voor je, een houten blokje in je hand, dat blokje doopte je in de glazuur en dat streek je uit over het biscuitje... Het was heerlijk werken hoor... Ik vond het zalig bij Verkade... We konden het als meisjes onder elkaar zo goed vinden, het was oergezellig. Je praatte de hele tijd met elkaar, we maakten grapjes, zongen liedjes. Ik vond het werk helemaal niet saai. Nu alles met machines gaat, zal het wel niet zo leuk meer zijn.”

Vrijwel alle herinneringen van de nu bejaarde of oudere vrouwen komen met dit relaas overeen. De meisjes van toen, die er met hun werkschorten en haarnetjes uitzagen als verpleegsters, voelden zich niet opgejut. Verkade zorgde voor een pauze-speelplaats en koffie en thee in een fraaie kantine, liet de fabrieksmeisjes (buiten werktijd) naai- en kooklessen geven, en werden meisjes ongesteld dan mochten zij een uurtje op een stretcher liggen.

Ook lees je herhaaldelijk: “De lol die we met elkaar hadden, maakte alles goed.” Of: “We waren net een stelletje dolle, jonge honden.” Of: “Bij Verkade was er altijd wel iets te snoepen.” De enige negatieve geluiden beperken zich tot het oplopen van snijwondjes aan blikranden of bij het inpakken van besuikerde koekjes. Om de pijn te verzachten konden de meisjes hun vingers in kommetjes eiwit dopen, of in het ergste geval een pleister gaan halen. Mien Schoonenberg (geb. 1914), die tien jaar lange vingers inpakte: “Ik heb weleens hele 'doorgestapelde' toppen gehad. Het bloed kwam er uit. We moesten dan pleistertjes erop doen. Dat pakte natuurlijk niet lekker.”

De chocoladefabriek werd als de elite-afdeling beschouwd, de leukste en lekkerste om te werken, ook omdat je er de mogelijkheid had af en toe een slokje te nemen van de brandewijn waarin kersen werden gedoopt. De plaats waar de arbeidsters het minst graag werkten was in de 'gemengde hoek', waar aan de lopende band blikken met een gemengd assortiment koekjes werden gevuld. Jopie Wijnand (1919): “Er waren geloof ik wel zestien soorten koekjes die je op een bepaalde manier in een doos moest doen, daar had je al je aandacht voor nodig”, met als gevolg dat je op die afdeling geen tijd had om op of om te kijken of praatjes te maken.

Ineke Hogema, wetenschappelijk medewerkster aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, vatte in 1993 het plan op een boek te schrijven over vier generaties vrouwelijke werkneemsters bij Verkade en plaatste daartoe in twee regionale bladen oproepen om in contact te komen met vrouwen die ooit bij Verkade hadden gewerkt of er nog werkten en daarover wilden vertellen. Op die manier raakte zij in gesprek met uiteindelijk ruim zestig vrouwen, van wie de oudste geboren was in 1901 en de jongste in 1961. Eenmaal bezig met haar onderzoek kreeg Hogema de hulp van Ivonne van der Padt, in het dagelijks leven werkzaam als sociaal-psychiatrisch verpleegkundige bij het RIAGG te Zaandam, en samen schreven zij hun boek, met financiële steun van de Verkadestichting.

Over hun motieven om dit werk aan te vatten schrijven zij dat in de geschiedschrijving van Verkade nooit expliciet aandacht is besteed aan de rol van vrouwen bij het bedrijf, terwijl in de geschiedenis van het inmiddels 110-jarige Verkade periodes zijn aan te wijzen waarin tachtig procent van het personeel uit vrouwen bestond. Daarmee scoren zij wat mij betreft helemaal raak.

Als nog een ander motief om dit boek te maken noemen zij dat er ook over het algemeen in de economische geschiedschrijving nauwelijks oog voor de rol van de vrouw is. Dat echter is niet helemaal conform de waarheid. Aan economische geschiedschrijving vanuit vrouwelijk perspectief is inderdaad nog veel te doen, maar de laatste jaren ìs er al het een en ander op dat gebied gepubliceerd, door grotendeels vrouwelijke auteurs. In hun beknopte literatuurlijst noemen Hogema en Van der Padt zelf vijf recente titels, waaronder De zorg om het Philipsmeisje. Fabrieksmeisjes in de elektronische industrie in Eindhoven door Annemieke van Drenth. Zelf zou ik zeker ook willen wijzen op de niet door hen genoemde in 1991 verschenen studie van Marlou Schrover, Het vette, het zoete en het wederzijdse profijt. Arbeidsverhoudingen in de margarine-industrie en in de cacao- en chocolade-industrie in Nederland 1870-1960, een doorwrocht werkstuk waarin het schrijnende aandeel van vrouwenarbeid ook in de zoetwarenbranche zeer nadrukkelijk aan bod komt.

Helaas, en dat beschouw ik als een gemiste kans, is het boek van Hogema en Van der Padt niet zo diepgravend. Het is een vrijwel louter orale geschiedenis, gebaseerd op toch wat oppervlakkkige gesprekken met hoofdzakelijk inpaksters en anderzijds 'voorjuffrouwen', 'machineleidsters' en vrouwen in kantoor- of laboratoriumfuncties, aangevuld met fragmenten uit gedenkboeken en het Verkadepersoneelsblad De Kern. Nauwelijks komen zij in hun studie met cijfers over de aantallen vrouwen die er in ruim 100 jaar bij Verkade werkten, wat zij verdienden en in hoeverre dat afweek van het loon van mannelijke collega's, terwijl zij juist aan de hand van dat laatste hadden kunnen aantonen dat vrouwen in het bedrijfsleven altijd achtergesteld zijn, en niet zo'n klein beetje ook. Waarom die gegevens niet opgezocht in de archieven?

Nog een omissie is dat de auteurs nauwelijks een kritische noot plaatsen bij de puur zakelijke motieven van Verkade (en andere bedrijven) om horden jonge meisjes en later ook gehuwde vrouwen in dienst te nemen: goedkopere en slaafsere arbeidskrachten waren er niet. Voor een paar zilverlingen deden de fabrieksmeisjes en -vrouwen àlles, en nog zingend ook. Slechts een doodenkele keer gingen zij in staking.

Het aardige van het boek van Hogema en Van der Padt (ook door de talloze foto's van hardwerkende en pauzerende meisjes en vrouwen van Verkade) is echter dat je al lezend en kijkend voor grote verrassingen wordt geplaatst. Eerst is er verwondering over de intense tevredenheid die in de herinneringen van de eerste generaties meisjes en vrouwen van Verkade doorklinkt, dan ongeloof, maar hoe verder je vordert naar het einde van de geschiedenis, hoe meer je gaat geloven en begrijpen dat de eerste generaties medewerksters hun slecht betaalde baantje voor geen prijs hadden willen missen.

De crisisjaren, de Tweede Wereldoorlog, niets kon de arbeidsvreugde van de Verkademeisjes verstoren en ook in de jaren van wederopbouw verdienden zij hun boterham steeds met tevredenheid. Stientje Moed (geb. 1925), vanaf 1938 in dienst bij de beschuitfabriek van Verkade, waar ze aan de lopende band balletjes deeg in kuiltjes deed: “In iedere hand had ik zes balletjes die ik op de band moest doen. Ik werd er af en toe wel tureluurs van”, maar op het laatst kreeg ze er naar eigen zeggen routine en aardigheid in. Automatisch verrichtte zij haar handelingen terwijl ze intussen volop kletste en schik maakte met collegaatjes.

Greetje van Halderen-Koppers (geb. 1929), van 1943 tot 1953 werkzaam op de snijkoek: “Wij vonden het leuk om snel die koeken in te pakken, des te sneller des te beter.”

In de jaren na 1945 liep de meisjesarbeid bij Verkade langzamerhand terug omdat veel meisjes net als jongens langer naar school gingen om een vak te leren. Het tekort aan ongeschoolde arbeidskrachten dat hierdoor ontstond, werd opgevangen door het eerste contingent getrouwde vrouwen aan te nemen. Zowel voor Verkade als voor de betreffende vrouwen was dat een hele stap. Tot 1945 werd je bij Verkade ontslagen als je trouwde en ook moest je er weg wanneer je rond je dertigste geen 'voorjuffrouw' was, een regel die Arnold Verkade nog op 13 oktober 1945 verdedigde door te zeggen: “Immers, als een meisje zich in den loop der jaren niet weet op te werken tot een bepaalde plaats, b.v. voorjuffrouw, en zij bereikt den ouderen leeftijd, dan is het voor haar niet prettig om naast veertien- en vijftien-jarige meisjes te blijven werken. Het is dan ook voor haar bestwil, dat zij naar een andere werkkring uitziet en de practijk heeft wel bewezen, dat het meestal voor haarzelf nuttig is, wanneer zij als het ware een 'duwtje' in die richting krijgt.”

Bij gebrek aan personeel zag Verkade nadien van die huisregel af en werd de fabriekspoort ook voor gehuwde vrouwen opengezet, al was het voor hen en vooral voor vrouwen met kinderen toen nog ongebruikelijk om buitenshuis te werken. Iemand als Jannie Derksma-Haak (geb. 1918) had echter geen andere keus: “Ik had een kind en moest voor een inkomen zorgen.” Haar man was na de oorlog weggelopen en van de drie gulden steun die ze per week kreeg kon ze niet rondkomen. In 1946 kwam ze bij Verkade terecht op de biscuit- en cake-afdeling en ook zij had niets te klagen: “Het was na de oorlog reuzefijn bij Verkade, want af en toe kon je een zak hout kopen en mooie pannen. Dan werd er elke week een bedrag van ons salaris afgehouden om die spullen te kunnen afbetalen.”

In zomermaanden, wanneer lekkernijen voor Sinterklaas en de Kerst gereed moest worden gemaakt, werd een beroep gedaan op gehuwde vakantiewerksters en ook zag Verkade in de jaren vijftig graag Indische meisjes komen die hoofdzakelijk tewerk werden gesteld in de bonbons omdat ze van die fijne vingertjes hadden en geduldig en gezeglijk waren. De auteurs spraken met een van die meisjes, Rieka Wattimena, en ook zij zei: “Het was ontzettend gezellig bij Verkade.”

De jaren zestig en zeventig zorgden opnieuw voor veranderingen in het personeelsbestand: het aantal gehuwde vrouwen nam steeds meer toe, mede doordat de fabriek vanaf 1961 als een van de eerste Nederlandse bedrijven een kindercrèche inrichtte, De Dotterbloem.

Ook begon Verkade deeltijdwerksters en allochtone vrouwen en mannen in dienst te nemen, aanvankelijk met name uit Spanje en Italië, vanaf eind jaren zeventig ook uit Turkije, Marokko en andere landen. Pas met de komst van die 'gastarbeiders' veranderde de sfeer. Rita Vonk vertolkt de gevoelens van meerdere Nederlandse werkneemsters: “Toen de buitenlandse vrouwen kwamen, vond ik het niet leuk meer. Niet vanwege het feit dat ze buitenlands waren, maar vanwege de taal. Ze spraken onderling alleen maar Turks en ja dan stond je er buiten en kreeg je communicatiestoornissen.”

Wat zowel de autochtone als allochtone medewerksters begon tegen te staan was dat er steeds meer bedrijfseconomen kwamen die gingen meten wat de meisjes en vrouwen per uur presteerden om vervolgens na te gaan op welke wijze hun prestaties konden worden verhoogd. Steeds meer werk werd overgenomen door machines en ook dat droeg niet bij aan de arbeidsvreugde van de meesten. De auteurs: “Het verrichten van inpakwerkzaamheden komt er tegenwoordig op neer dat je controleert of het verpakkingsproces goed loopt.”

Door de automatisering kwamen de medewerksters letterlijk steeds verder van elkaar af te staan en was het, ook door toenemend geraas van machines, niet meer mogelijk tijdens de arbeid met elkaar te converseren. Bovendien hadden de vrouwen en meisjes geen vaste stekken meer in de fabriek zoals vroeger, maar werden zij al naargelang de behoefte van de ene afdeling overgeplaatst naar de andere.

Adelaide Martins-Lima (in 1949 geboren op de Kaapverdische eilanden en sinds 1977 werkzaam bij Verkade) zegt daarover: “Je werkt nu voortdurend met andere mensen samen, je hebt geen vaste ploeg meer waarmee je elke dag werkt... De naam weet je meestal niet, het is vaak alleen maar 'hallo'. Vroeger was de sfeer vrijer, vrolijker, meer grapjes. Nu kun je onder het werk eigenlijk nauwelijks nog praten.”

Vanaf 1990, nadat de familie Verkade het bedrijf had verkocht aan de Engelse multinational United Biscuits, was de lol er voorgoed van af. De geïnterviewde vrouwen durfden dat uit angst voor hun werk niet hardop te zeggen, maar wel laten de auteurs mevrouw Karel Blanksma aan het woord, van beroep industrie-pastor: “Vroeger werkten de werknemers voor de familie Verkade, dat bepaalde de verhoudingen. Nu werken ze voor United Biscuits, voor vreemde mensen aan de overkant van de zee, die behept zijn met de belangen, de winst van onzichtbare aandeelhouders... Het gemeenschappelijke gevoel is verdwenen, de solidariteit is afgebrokkeld. De werknemers zijn allemaal hele kleine pionnetjes geworden in een heel groot bedrijf.”

In 1996, bij de afsluiting van het rijkelijk geïllustreerde boek over vier generaties fabrieksarbeidsters, had Verkade 687 werknemers in dienst, onder wie 148 vrouwen. Slechts 40 vrouwen staan nog aan de lopende band om diverse inpakwerkzaamheden te verrichten. De overige werkneemsters zijn machineleidster, werken als secretaresse, houden zich met kwaliteitscontrole bezig of met planning op het bedrijfsbureau. De onontkoombare conclusie die zich aan de lezer opdringt is dat je beter honderd jaar geleden een Verkademeisje kon zijn dan anno 1997.