Rembrandtieke sfeer in Berlioz' Christusvertelling

Concert: Orchestre des Champs Elysées, La Chapelle Royale en Collegium Vocale Gent o.l.v. Philippe Herreweghe m.m.v. Véronique Gens, Paul Agnew, Olivier Lallouette, Laurent Naouri en Frédéric Caton. Gehoord: 18/2 Concertgebouw Amsterdam.

Voor de tweede keer binnen een week stond gisteren een Hebreeuwse koning Herodes op het podium van het Amsterdamse Concertgebouw. Vorige week was het de in 39 na Chr. te Lyon gestorven Herodes Antipas, die bij het Concertgebouworkest in de slotscène van Strauss' Salome opdracht gaf de perverse dochter van zijn vrouw Herodias en zijn halfbroer Herodes Filippus ter dood te brengen, nadat hij door haar gedwongen was Johannes de Doper te onthoofden. Nu liet zijn vader Herodes I de Grote (ca. 73-4 v. Chr.) in Berlioz' L'enfance du Christ de kindermoord te Bethlehem plegen, uit angst dat het kindeke Jezus een einde zou maken aan zijn troon en macht.

L'enfance du Christ, over de vlucht van Jozef, Maria en hun kind naar Egypte, is het ideale repertoire tussen Kerstmis en Pasen. Het werd nu in de serie 'Wereldberoemde barokorkesten' in een Frans-Belgische samenwerking uitgevoerd onder leiding van Philippe Herreweghe.

Het oratorium van Berlioz (1854) is het late Franse antwoord op de nog slechts kort tevoren herontdekte Passionen van Bach, de oratoria van Händel en Die Schöpfung van Haydn. L'enfance du Christ heeft een eigen tekst van Berlioz, die soms herinnert aan Wagner: de onomwonden introductie van Herodes ('Toujours ce rêve!') lijkt op de eerste woorden van de titelheld in Der fliegende Holländer: 'Die Frist ist um'. Het oratorium heeft dezelfde scènische opbouw als de opera La damnation de Faust (1846) en zou zó kunnen worden uitgevoerd als geënsceneerde kerkopera.

Maar ook concertant is het stuk zeer beeldend - men hoort de stappen van de Romeinse soldaten in de straten van Bethlehem versterven. En wanneer de heilige familie in Egypte, na een soortgelijke zoektocht als in Bethlehem, eindelijk onderdak heeft gevonden bij een Ismaëliet ('Ik ben ook timmerman, laten we samen werken en veel geld verdienen'), hoort men de huisgenoten nijver als bijen bezig het Maria, Jozef en Jezus naar de zin te maken.

De muziek is uiteraard typisch Berlioz en vloeiend. Maar anders dan de sterk naar expansiviteit neigende Berlioz-muziek in de Symphonie fantastique, La damnation de Faust en de Grande Messe des Morts overheerst hier in schaal en expressie het geborgene en intieme, eindigend in een verheffende, op een gebed uitlopende epiloog. Prachtig werd dat alles gespeeld en gezongen door een uitstekende cast, met als opvallendste zangers een roerende Véronique Gens (Marie) en een intense vervoerende Paul Agnew als recitant.

Zeker in deze uitvoering op authentieke instrumenten werd het geheel nog in een bijzonder warme en mild lichtende gloed gezet. Dat herinnerde mij aan het schilderij De heilige familie bij avond, dat, toen het nog aan Rembrandt werd toegeschreven, kon worden bewonderd in het Rijksmuseum, maar nu niet meer mag worden gezien. Als een ander Rembrandt-kwaliteit levert verhuist zijn werk naar de kelder, omdat daarvoor geen plaats is in de schildersherberg.