Sociale fondsen niet failliet

Het geld voor de uitkeringen aan bejaarden, weduwen, werklozen en arbeidsongeschikten komt uit centrale fondsen. Ook de ziekenfondsen krijgen hun middelen voor het overgrote deel uit een landelijke pot. Deze sociale fondsen worden gevuld met premies die werkenden en uitkeringsontvangers over hun inkomen verschuldigd zijn. Eind vorige week raakte bekend dat de fondsen met onverwachts grote tekorten kampen. Lopen de uitkeringen nu gevaar, omdat het geld binnenkort op is?

Nee. Samen hebben de fondsen nog miljarden in kas. Zij komen alleen 'te kort' ten opzichte van het normvermogen dat volgens fondsbeheerders en het kabinet aanwezig zou moeten zijn. Dit normvermogen werkt als een buffer, die schommelingen in de middelenbehoefte opvangt. In het winterseizoen is de werkloosheid traditioneel hoger dan in de zomer. Dus vergen de uitkeringen tijdelijk meer geld. Ook in mei hebben de fondsen extra veel geld nodig, want dan krijgen bijna alle uitkeringsontvangers hun vakantiegeld. Voor zulke uitschieters bij de uitgaven moet volgens de gangbare opvatting een reserve aanwezig zijn.

Het is echter al vele jaren geleden dat het vereiste normvermogen volledig aanwezig was. 'Tekorten' zijn inmiddels eerder regel dan uitzondering. Dit komt doordat premies in het verleden vaak lager zijn vastgesteld dan nodig was om het vereiste buffervermogen in stand te houden. Voor een kabinet is het aantrekkelijk de premies zo laag mogelijk vast te stellen. Lagere premies voor werkgevers drukken de loonkosten; dat is goed voor de banengroei. Lage premies voor werknemers fleuren de gebruikelijke koopkrachtplaatjes op: iedereen houdt immers netto meer over.

Het Tweede-Kamerlid Ybema (D66) was er vorige week als de kippen bij om een schuldige aan te wijzen. Kabinetten onder leiding van premier Lubbers waren ermee begonnen zich te vergrijpen aan het winterspek van de sociale fondsen. Ybema is óf dom, maar zo ken ik hem niet, óf zijn geheugen laat hem onvergefelijk in de steek. Anderhalve maand geleden had in de fondsen 12,6 miljard gulden moeten zitten. In feite was hoofdzakelijk door paars beleid slechts 2,7 miljard aanwezig. Het verschil - een vermogenstekort van 9,9 miljard - komt grotendeels op het conto van de door Ybema's partij voluit gesteunde paarse coalitie. In 1995 en 1996 steeg het vermogenstekort van de sociale fondsen namelijk met een ongeëvenaard bedrag van ruim zes miljard gulden tot de al genoemde 9,9 miljard.

Het kabinet wilde het vermogenstekort van de centrale fondsen dit jaar van 9,9 miljard terugdringen tot 3,8 miljard gulden. De beoogde positieverbetering van de fondsen met 6,1 miljard is grotendeels bereikt door het vereiste normvermogen in één pennenstreek met 4,3 miljard gulden te verlagen (van 12,6 tot 8,3 miljard). Tijdelijk hogere inhaalpremies zouden voor de dan nog resterende 1,8 miljard bijdragen aan de nagestreefde tekortvermindering van in totaal 6,1 miljard gulden.

Naar huidige inzichten bedraagt het vermogenstekort van de fondsen eind van dit jaar echter geen 3,8, maar liefst 8,4 miljard. Vandaar de nu gerapporteerde tegenvaller van 4,6 miljard gulden. Het thans voorziene 'tekort' van 8,4 miljard is praktisch gesproken gelijk aan het verlaagde normvermogen van 8,3 miljard dat eind 1997 bij de fondsen aanwezig zou moeten zijn. In feite is er dus op oudejaarsavond geen tekort in de kas. De sociale fondsen hebben echter geen enkele financiële reserve meer.

De meeste partijen in het parlement willen de premies opschroeven om het hoog blijvende vermogenstekort bij de sociale fondsen weg te werken. De premies hoeven echter helemaal niet omhoog. De fondsen staan immers niet of nauwelijks rood. Wel kan het ontbreken van een financiële buffer tot problemen leiden in maanden waarin hun uitgaven een piek vertonen. Dan zouden de fondsen duur geld moeten lenen bij de bank.

De oplossing ligt voor het grijpen. Breng het vermogensbeheer van de fondsen onder bij de rijksoverheid. De schatkist vangt voortaan een piek in de uitgaven op. Buffervermogens zijn dan niet langer vereist. Elk groot concern kiest voor deze constructie. De corporate treasurer gebruikt tijdelijke overschotten van de ene dochteronderneming om de behoefte aan werkkapitaal van andere dochters te lenigen. De dochter die intern leent, is goedkoper uit dan bij de bank; de dochter die overtollige middelen uitleent, krijgt van het hoofdkantoor een betere rentevergoeding dan van de bank. Zo steekt het concern de rentemarge van de bank in eigen zak. En is - in het geval van de rijksoverheid - de stroom belasting- en premieopbrengsten tijdelijk onvoldoende, dan kan niemand voor kortlopende leningen zo goedkoop op de geldmarkt terecht als de overheid.

Kamerleden die aandringen op een nodeloze premieverhoging brengen het kabinet zonder reden in problemen. Ten eerste stuwen hogere premies het lastenpeil op. Dit maakt inschakeling van arbeid duurder en strooit onbedoeld zand in de Nederlandse banenmachine. Het kabinetsbeleid is daarom juist gericht op lastenverlichting.

Sociale premies zijn alleen verschuldigd over de eerste 50.000 gulden van het inkomen (AOW) en de eerste 80.000 gulden van het loon (WAO en WW). Daarmee wordt een tweede bezwaar zichtbaar. Mensen die minder verdienen dan 80.000 gulden per jaar zien na een premieverhoging hun netto inkomen in verhouding het meeste dalen. Dit maakt het inkomensbeleid minder evenwichtig.