Phish geeft fans warm bad van weeë popmuziek

Concert: Phish. Gehoord: 17/2 Paradiso, Amsterdam.

Zelden hoorde ik onder het mom van popmuziek zoveel opgeklopte lucht als bij Phish, de groep uit de Amerikaanse staat Vermont. De groep claimt de erfenis van The Grateful Dead op: ze improviseren er stevig op los en de fans reizen hen overal achterna. Phish is een fenomeen, zo leren de berichten uit de VS, waar het viertal zonder steun van hitparade of MTV tot de best verkopende live-attracties van het stadioncircuit is gaan behoren. Concerten van drie uur of langer zijn geen uitzondering en als zanger en gitarist Trey Anastasio de geest krijgt, schudt hij bij wijze van toegift zijn interpretatie van het hele witte dubbelalbum van The Beatles uit zijn mouw.

Net als het Melkweg-concert van vorig jaar zomer, was Paradiso allang uitverkocht via de credit card-hotline met Amerika. Ook buiten het vakantieseizoen wemelde het gisteren van de rugzaktoeristen die klaagden over te weinig ijs in de cola en die hun dure opname-apparatuur met instemming van de band opstelden op het balkon van de poptempel.

Phish maakt een weeïg soort trance-muziek, met nummers die op de recente cd Billy Breathes voor het eerst betrekkelijk beknopt klinken, in vergelijking met de opgepoetste improvisaties uit de voorafgaande veertien jaar. Optredens zijn als een warm bad voor de bandleden, die er uit zien als vier wiskundeleraren op werkweek, met gecoiffeerd halflang haar en gesteven vrijetijdskleding. Een daverend welkomstapplaus stelde hen in staat om met volledige instemming van het meegebrachte publiek uit te pakken met bleke namaak-reggae, symfonische borduurwerkjes en voorspelbaar gitaargefiedel.

De sfeer van ons-kent-ons overheerste in het door de Amerikaanse invasiemacht bezette Paradiso, waar de ingewijden als één man het woord 'Wilson' brulden op het moment dat Anastasio een gek gezicht trok. Wie is Wilson? Het bleef onduidelijk voor buitenstaanders en dat was kennelijk precies de bedoeling.