Océ, bankier tussen kopieerreuzen

AMSTERDAM, 18 FEBR. Is het een bank of een kopieermachinefabrikant? Océ-van der Grinten, die zijn naam omwille van gemak en marketing bekort tot Océ, is allebei.

Zeker tachtig procent van de copiers en printers die het Venlose bedrijf verkoopt is van eigen makelij, zei bestuursvoorzitter dr. H. Pennings gisteren bij de presentatie van een voorpublicatie van het jaarverslag. De afzet van deze apparaten wordt ondersteund door een al maar groeiend eigen leasebedrijf.

Als bank zou Océ geen slecht figuur slaan. De rente op de lease-activiteiten is een majeure bron van inkomsten: vorig jaar verdiende Océ per saldo 21 miljoen gulden aan rente. Dit betekent zoveel als dat de leasende klanten van Océ de complete bedrijfsfinanciering bekostigen en dat dan nog geld overschiet voor de aandeelhouders. Zelfs Koninklijke Olie, die met een kas van meer dan 20 miljard gulden veruit het rijkste Nederlandse bedrijf is, is per saldo een rentebetaler.

Tegenover de netto rentewinst in het 'bankbedrijf', die Océ op 20 miljoen gulden becijfert, staat een netto resultaat van 149 miljoen gulden in het oorspronkelijke Océ-bedrijf. De winst in het industriële kernbedrijf kreeg vorig jaar een spectaculaire impuls door de overname (à raison van 890 miljoen gulden) van de printerdivisie van Siemens. Mede daardoor steeg de netto winst in de industriële activiteiten met 59 miljoen naar 149 miljoen gulden. De omzet van Océ (16.495 medewerkers) steeg vorig jaar met ruim 42 procent tot bijna 4,2 miljard gulden. Verwachting voor dit jaar: zeker 20 procent omzetgroei en een nog sneller groei van de netto winst.

De samensmelting van een leasemaatschappij en een technologisch sterk ontwikkeld bedrijf, dat vorig jaar door de overname van de Siemens-dochter doorstootte naar de wereldtop, is curieus. Bankiers en beleggingsanalisten worstelen met de combinatie. Het noemen van de namen van andere industriële bedrijven met grote financiële dochters en activiteiten (Daf, Fokker) geeft aan dat zulke combinaties niet zonder risico's zijn.

“Of wij die twee activiteiten verder uit elkaar moeten trekken is een onderwerp dat voortdurend weer in discussie komt”, zei financieel bestuurslid drs. H. Meertens gisteren. Maar van een ontvlechting tussen industrie en financiën willen hij en voorzitter Pennings niets weten. De commerciële slagkracht van het concern is naar hun zeggen te nauw verweven met het leasebedrijf om dat aan derden, zoals een bank, uit te besteden. “Separate informatie verstrekken, dat is het maximale dat wij zullen doen”, zegt Meertens.

De overname van de Siemens-divisie heeft Océ ingrijpend veranderd, zo blijkt uit het jaarverslag. De meeste medewerkers (3.983) werken nog wel in Nederland, maar de meeste omzet (bijna 1,3 miljard) boekt Océ in de Verenigde Staten, terwijl de meeste eigendommen (zoals fabrieken) nu in Duitsland staan.

Océ behoort met Ahold, Wolters Kluwer, Nutricia, ABN Amro en ING tot de groep Nederlandse bedrijven die een grote buitenlandse overname hebben gebruikt om hun zaken een extra groei impuls te geven. Verstopt in de voorpublicatie van het verslag staan de slimme financiële constructies die Océ in staat stellen een grote overname te combineren met een superieure prestatie van zijn aandelen op de Amsterdamse effectenbeurs.

Een cruciale bijdrage komt van het slimmigheidje om kosten van de reorganisatievoorziening die samenhangt met de Siemens-overname niet ten laste van de inkomsten te brengen, maar te verdisconteren in de overnameprijs. Die prijs wordt ten laste gebracht van het vermogen, niet van de winst die toekomt aan aandeelhouders.

Océ financierde de overname door nieuwe preferente aandelen te plaatsen en ook verse gewone aandelen op de markt te brengen. Door de uitgifte van deze nieuwe effecten kon de stijging van de winst per aandeel, het cijfer waar beleggers scherp naar kijken, de groei van de netto winst niet bijbenen. De netto winst steeg met ruim 56 procent, de winst per gewoon aandeel slechts met 36 procent tot 9,06 gulden. Beleggers zijn niettemin content: koers is vorig jaar vrijwel verdubbeld tot 188 gulden en stond vanochtend op 248,40 gulden.

De overname van de Siemens-dochter heeft Océ opgestuwd naar de top van de markten. Steeds minder aanbieders vechten daar om de klanten. Op de markt voor kopieerappraten voor de tekenkamers zijn er een stuk of vier, op de printermarkt voor hogere volumes misschien vijf tot zes, schat Pennings.

Om zijn technologische toekomst zeker te stellen heeft Océ de zogeheten inkjettechnologie in ontwikkeling, die het concern een plaats moet geven op de markt voor bijvoorbeeld grote posters met een lage oplage, zoals dagelijks wisselende reclames van Albert Heijn.

Het ministerie van Economische Zaken subidieert dat met 50 miljoen gulden. Het onderstreept dat Océ de weg weet in Den Haag: Océ is ook een van de twee ontvangers van geld van het Industriefonds.

Het belangrijkste argument voor de verkoop van delen van NS Infra Services aan de “onderaannemers” Volker Stevin en NBM-Amstelland was dat deze verkoop direct een stabiele marktsituatie geeft die per saldo volgens Schouten “voor alle mensen in de branche de beste bescherming biedt”. De afgelopen maanden werd er intensief onderhandeld tussen de NS, Volker Stevin en NBM-Amstelland. Die onderhandelingen namen veel tijd in beslag omdat er grote economische en sociale belangen mee gemoeid zijn. Eén complicerende factor was dat de te verkopen bedrijven pas vanaf 1996 (de daadwerkelijke splitsing van Infra Services) bestaan en dus nog geen historie (track record) hebben. Het verkrijgen van inzicht in de marktpotentie van de NS-onderdelen bij de kopers duurde daardoor langer dan bij veel andere overnames het geval is.