Iraakse olie-industrie herstelt zich moeizaam

Moeizaam maken werknemers in Irak een begin met herstel van de oliewinning. Door het internationale embargo dat dit tweede olieland ter wereld nu bijna zes jaar in zijn greep houdt - als straf voor de invasie van Koeweit in 1990 - is er nauwelijks geld voor investeringen en zijn reserve-onderdelen schaars.

Twee weken geleden bezocht de Russische minister van Energie het land met een delegatie. Irak heeft grote schulden aan Rusland en geeft de Russen voorrang bij projecten om de oliewinning weer op gang te brengen. Maar de Verenigde Naties staan olie-export en import van materialen in Irak nog slechts op bescheiden schaal toe, in het kader van de overeenkomst voor het ruilen van olie tegen voedsel en medicijnen.

De kosten voor produktie van olie behoren in Irak tot de laagste ter wereld: één dollar per drie ton. Het zwarte goud komt, als er eenmaal een boring is verricht, vanzelf naar boven. Geld voor seismisch onderzoek is er niet, maar de Iraq Drilling Company boort bijna nooit mis. Voor binnenlands verbruik raffineert de nationale industrie zo'n 400.000 vaten per dag tot benzine en butagas. Het bijprodukt zware stookolie kan het land niet kwijt door het exportverbod. Daarom worden grote hoeveelheden in de woestijd gedumpt of verbrand.