Het laatste olifantje is Christus

Hoe origineel Rembrandt kon zijn in zijn uitbeelding van de Bijbelverhalen, daarvan zijn prachtige voorbeelden te zien in het Rembrandthuis, waar op dit moment de tentoonstelling Aartsvaders, engelen en profeten, Het Oude Testament in prent wordt gehouden.

De tentoonstelling 'Aartsvaders, engelen en profeten, Het Oude Testament in prent' is te zien tot en met 9 maart in het Rembrandthuis in Amsterdam

De reeks tentoongestelde prenten van verschillende zestiende- en zeventiende-eeuwse meesters begint met Genesis, en Rembrandts ets van de zondeval uit 1638 vormt meteen al een geweldige uitdaging. In zijn afbeelding van Adam en Eva in het paradijs wijkt Rembrandt zo sterk af van de voor paradijsvoorstellingen gebruikelijke iconografie dat hij ons als het ware uitnodigt zijn bedoelingen te achterhalen.

Het eerste dat opvalt is de leeftijd van Adam en Eva. Het gaat hier niet om een mooi, jong (net geschapen) paar, dat op het punt staat de eerste zonde te begaan; het is een mollige, al wat rijpere vrouw, die de appel in haar hand houdt en Adams enigszins uitgezakte lichaam is dat van een oude man. Het tweetal wordt vanuit een boom van bovenaf bespied door een grote draak. Adam en Eva en de draak zijn zo dominant aanwezig op de voorgrond dat wat zich verderop in het paradijs afspeelt bijna aan de aandacht ontsnapt. Als we goed kijken ontdekken we in de lichtende verte nog een dier: het is een olifantje en het lijkt of het ons tegemoet komt rennen. Wat bewoog Rembrandt ertoe juist een olifant in de Hof van Eden te laten rondhuppelen? Dit dier is een zo mogelijk nog verrassender verschijning in een scène uit het Oude Testament dan een gevleugelde draak in plaats van de slang.

De symbolische betekenis waarmee de olifant van oudsher is beladen was in de 17de eeuw nog steeds bekend. Aristoteles en Plinius wisten in hun natuurlijke historiën al allerlei eigenaardigheden over het dier te vertellen. Hun vaak fabelachtige verhalen waren er de oorzaak van dat de olifant al vroeg menselijke deugden als vroomheid, kuisheid en matigheid kreeg toegeschreven. Christelijke auteurs gingen nog een stap verder in hun duiding van de olifant. Zo geeft de Physiologus, een Grieks geschrift uit de tweede eeuw dat ten grondslag lag aan de latere middeleeuwse beestenboeken (bestiaria), een gelijkenis die in verband is gebracht met Rembrandts olifantje in het paradijs. Volgens de Physiologus kennen olifanten van nature geen seksuele begeerte en worden ze pas vrijlustig nadat ze van een mandragoraboom 'in de buurt van het Paradijs' gegeten hebben: “en de vrouwtjesolifant neemt eerst van de boom en meteen wordt zij hitsig; dan geeft zij ook het mannetje ervan, en ze prikkelt hem met haar plagerij net zolang, tot ook hij ervan eet”. De verwijzing naar de zondeval is duidelijk. Ook heeft volgens deze tekst een olifant geen kniegewrichten en is hij dus aangewezen op hulp als hij valt. Er wordt verhaald hoe eens een gevallen olifant (de mensheid na de Zondeval) niet overeind geholpen kon worden door de eerste olifant die hem te hulp snelde, ook niet door 12 volgende, maar pas door een klein olifantje dat als laatste kwam. In de uitleg die de Physiologus zelf geeft staan de helpende olifanten respectievelijk voor de Wet en de Profeten. Het laatste kleine olifantje is Christus, die de gevallene opricht.

De paradijsvoorstellingen die in de 16de eeuw in onze streken ontstonden werden nogal eens opgeluisterd met symbolische dieren. Volgens L.J. Slatkes (Simiolus 2, 1980) moet Rembrandts olifant als vervolg op die noordelijke traditie gezien worden. Zijns inziens wees de kunstenaar met het dier op de parallel tussen het Bijbelverhaal van Adam en Eva en het verhaal van de Physiologus over het seksuele leven van de olifant.

Rembrandts draak kan ons misschien nóg een stap verder brengen. De kunsthistoricus Van Rijckevorsel beschreef in zijn boek Rembrandt en de traditie al in 1932 de opvallende overeenkomst tussen Rembrandts ets en een kopergravure van Dürer uit 1512. De voorstelling op Dürers Christus in het voorgeborchte van de hel toont het verhaal uit het apocrieve Nicodemus-evangelie, waarin verteld wordt hoe Christus na zijn dood afdaalt in het dodenrijk om de voorouders uit het Oude Testament te verlossen. Adam en Eva, die als eersten uit de hel zijn gered, staan terzijde terwijl Christus Johannes de Doper bij zijn pols omhoogtrekt. Hoog bovenop een stenen poort zit een draak, die erg veel weg heeft van het monster in de paradijsboom op Rembrandts ets.

Het ziet ernaar uit dat Rembrandt Dürers draak als voorbeeld heeft gebruikt. Maar ook voor de compositie van zijn ets als geheel lijkt hij de gravure van Dürer nauwkeurig bestudeerd te hebben. Bij Dürer vormt de stenen poort de omlijsting van de hellevoorstelling. Hetzelfde effect bereikt Rembrandt met zijn boomstam en bladerkroon. Bovendien staan Adam en Eva in het Paradijs van Rembrandt op bijna dezelfde plaats als in de limbus van Dürer. Aldus Van Rijckevorsel.

Maar dat Rembrandt in eerste instantie zelfs nog veel verder ging in zijn ontlening bewijst een proefdruk van de ets van Adam en Eva die zich bevindt in het British Museum. Christopher White (Rembrandt as an etcher, 1969) heeft vastgesteld, zonder overigens een verband te leggen met de gravure van Dürer, dat Rembrandt experimenteerde met de landschapsomlijsting door links op de afdruk met donker krijt de overhangende tak met de aarden wal te verbinden. Adam en Eva staan op deze proefdruk als het ware in een donkere spelonk. Wij zien dat het geheel nog sterker doet denken aan Dürers voorgeborchte van de hel dan de definitieve versie van de ets.

De duivel in de gedaante van een draak hoort niet thuis in de iconografie van het paradijs, maar in die van de hel. Dat Rembrandt er desondanks niet voor terugdeinsde Dürers draak over te nemen is van belang bij de uitleg van zijn ets. Ook Rembrandts oude Adam met het baardje zou gezien zijn leeftijd beter in een hellevaartscène passen. En het kleine olifantje in de lichtende verte van het paradijs is het olifantje van de Physiologus, die als laatste kwam om zijn gevallen soortgenoot te redden. Rembrandt maakte een afbeelding van de zondeval waarin de gedachte aan de gelukkige afloop, zoals die te zien is op de gravure van Dürer, nadrukkelijk meespeelt. Voor Adam en Eva gloort hoop aan de horizon: het olifantje in het paradijs van Rembrandt wijst al vooruit naar hun toekomstige verlossing uit het dodenrijk door Christus.