Geloofsleer

De brief over geloofsleer (11 februari) roept bij mij enkele vragen op.

Uitgaande van de zin “De rk-kerk heeft krachtens haar pastorale verantwoordelijkheid te waken over de rechtschapenheid van het gedrag van christenen” kunnen de volgende conclusies worden getrokken.

Het uiteindelijke doel van de pastorale zorg is de gelovige zodanig te begeleiden dat hem niet de hel maar de hemel zal toekomen. De mate van rechtschapenheid speelt hierbij een cruciale rol. Aangezien het hierbij over gezinsplanning gaat volgt dat de rechtschapenheid van de christen gelegen is in het juiste resultaat van 'het recht op en neer'.

Verder wordt gesproken van onderneming en bedrijfsfilosofie, zodat men mag aannemen dat de christen een produkt is vergelijkbaar met een fabrieksmatig gevormd produkt.

Deze visie op de mens dat deze zijn rechtschapenheid moet verkrijgen door het via seksuele handelingen materialiseren van het produkt christen stuit mij zodanig tegen de borst en komt mij zodanig als een verschraling van het mensbeeld voor dat de verbazing over de gedoogproblematiek van beide briefschrijvers met een visie die breder is dan de nauwe bedding waarin hun gedachtengang zich afspeelt, op het tweede plan zinkt.