Eeuwenoude monstrans tijdelijk terug in klooster

Tentoonstelling: Amsterdamse kloosters in de Middeleeuwen, Universiteitsmuseum De Agnietenkapel (Oudezijds Voorburgwal 231, Amsterdam). T/m 13/4; geopend ma t/m vr 9-17u; zo 14-17u. Publikatie: (Marian Schilder red.), Amsterdam University Press, ƒ 29,50.

Met de Alteratie, de overgang van katholicisme naar protestantisme in 1578, kwam er een einde aan het rijke kloosterleven van Amsterdam. Van veel middeleeuwse conventen is nu weinig of niets meer over en ook van hun inrichting is maar een klein gedeelte, vaak ook nog erg beschadigd, bewaard gebleven. Dat is de eerste indruk die de tentoonstelling Amsterdamse kloosters in de Middeleeuwen in het Universiteitsmuseum De Agnietenkapel in Amsterdam wekt. Toch geven de expositie en het bijbehorende boek een verrassend compleet beeld van de zo fragmentarisch overgeleverde, materiële cultuur van de middeleeuwse kloosters in Amsterdam.

Tot 1578 telde Amsterdam zo'n twintig kloosters. De eerste daarvan waren gesticht aan het einde van de veertiende eeuw, maar de meeste dateren van na 1400. Vooral het zuidoostelijk gedeelte van de oude stad, tussen de Oudezijds Achterburgwal en de Kloveniersburgwal, werd beheerst door kloostergebouwen. In deze wijk, die bekend stond als de 'stille zijde', stonden in een zo goed als ononderbroken rij maar liefst zes verschillende kloosters naast elkaar. Bijna al deze gebouwen zijn in de loop der eeuwen afgebroken, maar in de stedebouwkundige structuur is de vorm van de kloostergebouwen en hun binnenhoven vaak nog goed herkenbaar. Sommige straatnamen herinneren er ook nog aan. De Cellebroerssteeg bijvoorbeeld, of de Sint-Geertruidensteeg, maar ook de Bloedstraat.

Deze laatste benaming heeft, anders dan je na het zien van de tentoonstelling zou kunnen denken, niets te maken met het Heilig Bloed van Christus. Ze verwijst op een andere manier naar de aanwezigheid en werkzaamheden van katholieke instituties in Amsterdam: aan dit straatje grensde de 'bloetcamer' - de operatiezaal van het Minderbroedersklooster.

Op foto's is in het museum te zien wat er resteert van de kloostergebouwen zelf. Zo is aan de huidige Barndesteeg nog een gedeelte van de goeddeels blinde buitenmuur van het Sint-Maria Magdalenaklooster zichtbaar. Enkele kloostergebouwen, die door de eeuwen heen telkens een functie hebben gehouden, bestaan nog. Gedeelten van de kapel van het Paulusbroeders-klooster zijn zichtbaar in de huidige Waalse kerk. En de kapel van het convent van Sint-Agnes - nu het museum waar de tentoonstelling wordt gehouden - is na de Alteratie verbouwd tot zetel van het Athenaeum Illustre, de voorloper van de Universiteit van Amsterdam. Het gebouw is daardoor zelf een van de belangrijkste objecten van de expositie. Op de bovenste verdieping kan de bezoeker een kijkje nemen in de houten kapconstructie die gebruikelijk was in dergelijke kapellen.

De roerende goederen die in de expositie worden getoond en, aan de hand van enkele oude inventarissen, worden beschreven in het boek, roepen een beeld op van het kloosterleven in het middeleeuwse Amsterdam. Ook deze gebruiksvoorwerpen, devotionalia, boeken en kunstwerken getuigen vaak van de gevolgen van de anti-katholieke opstanden en de Alteratie. Er zijn bijvoorbeeld fragmenten te zien van reliëfs en beeldjes van pijpaarde, en een deerlijk beschadigde, levensgrote sculptuur van de Pietà uit omstreeks 1450, die waarschijnlijk een altaar in het Sint-Geertruidenklooster heeft gesierd. Dit is het enige monumentale beeld uit een Amsterdams klooster dat nog bestaat. Pas dertien jaar geleden is het teruggevonden tussen de graven van de kloosterzusters. Mogelijk hebben de bewoonsters van het convent het daar, nadat beeldenstormers de gezichten en armen van de maagd Maria en Christus er hadden afgehakt, een laatste rustplaats gegund.

Tussen enkele vitrines met geïllumineerde handschriften en gedrukte boeken uit Amsterdamse kloosterbibliotheken, is bovendien een zeer kostbare, zilveren monstrans uit 1517 tentoongesteld. Dit liturgische voorwerp, afkomstig uit het Clarissenklooster, moet nog tot 1589 zijn gebruikt om tijdens clandestien opgedragen missen de hostie te tonen: volgens een bron uit die tijd lieten de nonnen dagelijks 'de pauselicke religije exerceren, zoe met missen als met andere superstitiën'. Toen de stedelijke autoriteiten daar lucht van kregen, werd het convent definitief ontruimd. De zuster die het langst leefde heeft de monstrans in 1617 naar het Minderbroedersklooster van Leuven gestuurd. Het is een tekenend voorbeeld van de teloorgang van het oude kloosterleven in Amsterdam en van de manier waarop de overblijfselen ervan de stad hebben verlaten. Maar de tijdelijke terugkeer van de monstrans in een voormalige Amsterdamse kloosterkapel getuigt ook van de moeite die met deze tentoonstelling is gedaan een reconstructie te geven van het middeleeuwse kloosterleven in de stad.