Een vreemd land voor vreemden

Een hoop immigrantenleed kan voorkomen worden als men die 173, zojuist in Nederland gearriveerde, Tamils het bandje van gisteravond laat zien van Vreemd land.

In de derde aflevering, getiteld Spaghettivreters, van dit NPS-programma kwamen drie Italiaanse immigranten aan het woord. Ze waren zo'n dertig jaar geleden naar Nederland verhuisd, puur uit economische noodzaak. Het moeten hard werkende, avontuurlijke mannen zijn geweest, anders waren ze hier nooit als 'gastarbeider' gekomen. Maar het heilige vuur was nu gedoofd, er restte alleen nog de as van vervlogen illusies. Enkele uitspraken.

“Ik zou het nooit meer doen.”

“Als ik het over kon doen, zou ik eerder teruggaan.”

“Je wordt nooit helemaal geaccepteerd.”

“De kille Nederlander tegenover de agressieve Italiaan in de goede zin van het woord.”

“Ik kon niet wennen.”

“Ik ben arm vergeleken met de Italianen, in Italië is het na 1968 beter geworden.”

“Als ik daar ben word ik onrustig, ben ik hier dan wil ik terug.”

“Er gebeurt hier niets. De mensen worden nergens boos over.”

“Ik doe al jaren niets. Je hebt weinig vrienden, raakt geïsoleerd.”

“Ik ken maar honderd Nederlandse woorden, ik kan geen diepgaand gesprek voeren. Ik spreek twee talen gebrekkig.”

“Er gaan er steeds meer naar Italië terug.”

“In Italië zegt men: een emigrant is een half mens. Omdat hij niet weet wat hij moet.”

Dat liegt er allemaal niet om. Ik had graag meer van die mannen geweten, er doemden de contouren van een schitterende documentaire op: met impressies uit hun geboortestreek, gesprekken met achterblijvers uit de familie, herinneringen aan de eerste jaren in Nederland.

Misschien had dan ook beter de vraag beantwoord kunnen worden in hoeverre de ervaringen van deze drie Italianen representatief zijn voor de hele groep. Daar was nu geen tijd voor: het half uur was net toereikend voor een blik op het grote verdriet van drie verweesde mannen.

Hun verhalen deden me denken aan het leven van meneer X., een man van middelbare leeftijd uit een Westafrikaans land. Hij woont al vijftien jaar in onze buurt, maar niemand die iets van hem weet. Hij kwam voor een bepaalde baan naar Nederland, maar de baan is opgeheven en meneer X. is gebleven.

Wat moet hij anders? In zijn chaotische geboorteland wacht hem armoede, hier heeft hij ten minste nog een werkloosheidsuitkering. Meneer X. moet een intelligente man zijn - gezien de baan die hij hier had - maar hij spreekt nog steeds niet meer dan tien Nederlandse woorden. Hij groet in het Engels, maar zijn voertaal is Frans, een taal waar de meeste Nederlanders niet meer dan tien woorden van beheersen.

Meneer X. krijgt één keer per jaar bezoek. Van zijn dochters die ook ergens in West-Europa wonen. Voor de rest zie je nooit iemand bij meneer X. Hij is de vriendelijkheid zelve, maar hij nodigt niemand uit. De keren dat hij een van de buren bezocht, bleef hij net lang genoeg om niet onbeleefd gevonden te worden.

Wij ontmoeten meneer X. verder alleen bij het buitenzetten van de vuilniscontainers.

“Goede morgen!”

“Good morning!”

Wij lachen, hij lacht.

Hoe komt meneer X. zijn dagen, maanden en jaren door? Geen idee. Hij moet eindeloos veel televisie kijken, want altijd zie je het magische rechthoekje achter zijn vitrage trillen. De tv als symbool van het isolement: aangesloten op de samenleving, maar toch ook weer niet.

Laten we hopen dat meneer X. gisteravond niet naar Vreemd land gekeken heeft.