Dirigisme doodt cultureel contact

Over de culturele betrekkingen van Nederland met het buitenland wordt al sinds mensenheugenis gediscussieerd, zonder dat er tussen de betrokkenen enige overeenstemming ontstaat.

Het probleem is dat er veel te conceptueel en te weinig pragmatisch wordt gedacht. Abstracte doelstellingen ('Nederland positioneren als pluriforme samenleving') en een hardnekkig verlangen van overheidswege alles te willen regelen, coördineren en afstemmen, doen pogingen tot zaken te komen keer op keer de das om. Oeverloze debatten over de beheersstructuur (moet er wel of niet een instituut voor buitenlandse culturele betrekkingen komen?) en slepende discussies over de vraag welk ministerie waarvoor verantwoordelijk is, helpen de zaak niet vooruit.

De zwaarte van de discussie staat intussen in geen verhouding tot het pietluttige budget dat de overheid voor internationale betrekkingen beschikbaar stelt. Ook het feit dat het overgrote deel van die betrekkingen, zonder enige sturing of beleid van overheidswege, uit particulier initiatief voortkomt, geeft de discussies toch een enigszins potsierlijk karakter.

Afgezien van een overdosis dirigisme, is ook een gebrekkig onderscheid tussen buitenlands cultureel beleid en internationale culturele betrekkingen niet bevorderlijk voor een doeltreffende discussie. Bij buitenlands cultureel beleid gaat het om vraagstukken als de positie van de Nederlandse cultuur (waaronder begrepen taal) in het licht van de Europese eenwording, om het uitdragen van het beeld van Nederland als een pluriforme, tolerante en multiculturele samenleving, om ondersteuning van democratiseringsprocessen en om de noodzaak van internationalisering van het onderwijs. Hier moet de overheid initiërend en dirigerend zijn en is interdepartementale coördinatie geboden.

Bij internationale culturele betrekkingen gaat het precies om wat de term aangeeft: betrekkingen die grensoverschrijdend zijn, variërend van de individuele Nederlandse beeldend kunstenaar die in het buitenland werkt of exposeert, tot optredens van het Nederlands Dans Theater bij staatsbezoeken. Ook het inkomende verkeer valt nadrukkelijk onder de Nederlandse internationale culturele betrekkingen.

Van groot belang is bij deze betrekkingen in de gaten te houden welk doel wordt gediend: politiek of cultuur. Bij politieke doelen denk ik aan het verwerven van sympathie voor Nederland, aan het onderhouden van banden met bijzondere partnerlanden, aan de programmering van staatsbezoeken en aan de bevordering van handelsbetrekkingen. Middelen zijn festivals, bijzondere manifestaties (bijvoorbeeld expo's), optredens van Nederlandse orkesten en dansgezelschappen bij bijzondere gelegenheden. Toonzetter moet het ministerie van Buitenlandse Zaken zijn, maar dat schept wel financiële verplichtingen. Wie betaalt bepaalt. Om pijnlijke missers te voorkomen, is een adviserende rol van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (OCW) en het culturele veld aan te bevelen.

Het gros van de internationale culturele betrekkingen dient echter een cultureel doel: uitwisselingen om de wederzijdse kwaliteit te stimuleren, het verwerven van artistieke erkenning, het opdoen van inspiratie, of simpelweg het genieten van kunstzinnige prestaties. Dit soort betrekkingen komt veelal voort uit initiatief van particulieren en kunstinstellingen en heeft qua geografische keuze een hoge mate van toevalligheid. De rol van de overheid moet zich hier beperken tot aanmoedigen en vergemakkelijken, het bieden van ondersteuning, zoals culturele attachés en het beschikbaar stellen van geld.

Dit laatste kan in de vorm van specifieke subsidies voor internationale activiteiten als beeldende kunstbiënnales, maar ook als onderdeel van OCW's kwaliteitsbeleid. Het grensoverschrijdende verkeer wordt immers bevorderd naarmate de kunst beter is. Hier ligt een grote taak voor de cultuurfondsen.

De rol van de overheid is echter beperkt en betreft primair het ministerie van OCW. Culturele attachés zouden dan ook onder OCW moeten ressorteren. Verder is het onzin dat Buitenlandse Zaken kunstsubsidies verstrekt. De vereiste expertise ontbreekt en het heeft met politiek niets van doen.

Samengevat zie ik als oorzaken van de indolentie in het debat over culturele betrekkingen: een zichzelf overschattende overheid, regeldrift, geldgebrek, competentieconflicten en een tekort schietende probleemanalyse. Wat te doen?

Om te beginnen bepleit ik een grote mate van laissez-faire. Net als in de liefde komen de mooiste contacten door louter toeval tot stand. En waarom zou de overheid beter dan de betrokkenen weten wat goed is in de internationale culturele betrekkingen?

In de tweede plaats bepleit ik realiteitszin. Een overheid die met abstracte beleidslijnen grotendeels autonome processen tracht te beheersen, is zinloos bezig. Overigens zie ik ook niets in een al dan niet geprivatiseerd beheersorgaan dat de internationale betrekkingen gaat 'coördineren en afstemmen'.

Ten derde hoop ik dat het vraagstuk van internationaal cultuurbeleid bij het eerstvolgende regeerakkoord serieus aan de orde komt. Na een heldere probleemanalyse kan het niet zo moeilijk zijn de rollen te verdelen.

Ten vierde moedig ik de staatssecretaris van Cultuur aan meer dan tot dusverre gebeurd is de cultuurfondsen, die een aanzienlijk deel van het overheidsbudget voor de kunsten besteden, aan te spreken en af te rekenen op hun prestaties op het internationale vlak.

Ten vijfde attendeer ik het kunstenveld op de zeker tien concrete nieuwe speerpunten die de staatssecretaris, met toezeggingen voor geld, heeft vastgelegd in het hoofdstuk 'Internationaal' van zijn cultuurnota Pantser of ruggengraat.

Al met al vormt dit een serieuze impuls voor de internationale culturele betrekkingen en een kans die we niet mogen laten liggen.