De Europese motor is in panne

Sicco Mansholt, de eerste Nederlander die lid - zelfs enige tijd voorzitter - van de Europese Commissie was, placht te zeggen dat de Europese eenwording, om vooruit te komen, telkens een crisis nodig had. Crisis - is dat niet een te zwaar, te dramatisch woord? Nee, niet wanneer we de werkelijke betekenis van het woord bedenken: beslissend stadium, wende, keerpunt. Dat betekent dat een crisis ook een wende ten goede kan zijn.

In die zin beschouwd, is het geen overdrijving te zeggen dat Europa op het ogenblik op een crisis afstevent, ja een reeks van crises. Of de Economische en Monetaire Unie (EMU) er komt, is nog onzeker. Het kritieke punt is nog niet bereikt. En als uit het proces waar we nu middenin zitten, inderdaad een EMU voortkomt, is het nog de vraag of zij zal werken en niet tot nieuwe crises zal leiden.

Laten we ons tot de toestand van vandaag bepalen. Roel Janssen heeft die, in de krant van zaterdag, goed onder woorden gebracht: “het debat over de morosité in Frankrijk, de politieke kentering, de argwaan tussen Frankrijk en Duitsland, de opkomende kritiek op het Rijnlandse model in Duitsland, de kwestie van het Europese concurrentievermogen in een gemondialiseerde economie” - het zijn allemaal kwesties waarvan de afloop - ten goede of ten kwade - beslissend is voor toekomst en succes van de Europese eenwording.

Van geen van deze kwesties - elk voor zich een kleine crisis - kan met vertrouwen en in eerlijkheid gezegd worden dat ze op een wijze tot een beslissing of oplossing zal komen die gunstig is voor die eenwording. Je hoeft geen doemdenker te zijn om daar niet optimistisch over te zijn. Nuchterheid is nodig. Alle gepraat over visie - een zinledig woord op zichzelf - is voor banketten of de galerij.

Het valt niet te ontkennen: de motor van de Europese eenwording, de Frans-Duitse samenwerking, is in panne. Dat wil zeggen: uiterlijk werkt hij wel; er is bij de huidige bestuurders althans de wil daartoe. Maar de onderdelen van de motor haperen: morosité in Frankrijk, twijfel aan het Rijnlandse model in Duitsland, en die ondermijnen de kracht van die bestuurders.

In Frankrijk is de crisis het acuutst. President Chirac kent de diagnose precies. Hijzelf heeft het diepe conservatisme van de Franse samenleving als grootste euvel aangeduid. Een van de kenmerken ervan is het vertrouwen, bij links en rechts, in de staat als alleskunner; maar de staat, waarvan Chirac zelf een exponent is, is de Titanic van de ondernemers, zoals Bill Gates, stichter van Microsoft en voorbeeld van een radicaal verschillende cultuur, uitriep toen hij onlangs in Parijs was.

Chirac is de gevangene van dit systeem, waarin hijzelf groot is geworden, maar waarvan hij de zwakten kent. Vertoon van grandeur in het buitenland kan de crisis in het binnenland niet uitstellen. De ontlading dreigt van twee kanten: de straat - de revolutie behoort tot de Franse mythologie - en verdere groei van het Front National. Het een sluit overigens het andere niet uit, maar geen van beide is gunstig voor een Europese eenwording.

In Duitsland is de crisis sluimerender, maar de bekendmaking van het hoogste werklozenaantal sinds 1930 heeft menigeen wakker geschud. Het gepraat over een Kanzlerdämmerung neemt toe. Bondskanselier Kohl is inderdaad even machteloos als Chirac. Als hij de toestand laat doorsudderen, wat zijn instinct hem ingeeft, laat hij zijn land misschien voldoen aan de normen van de EMU, maar krijgt hij bij de verkiezingen van 1998 de rekening gepresenteerd. Immobiliteit is dan meestal het recept.

Chirac heeft dat jaar ook met verkiezingen te maken, wat hem extra voorzichtig maakt. Toch is, in zekere zin, de acute crisis in Frankrijk minder verontrustend dan de sluimerende in Duitsland. Crisis is bijna een permanent verschijnsel in de Franse geschiedenis, terwijl in het Duitse bewustzijn het begrip nauw verwant is met ondergang. Bovendien: Duitsland ligt, anders dan Frankrijk, midden in Europa. Instabiliteit in het hart tast het hele lichaam aan.

Ook Nederland, dat zich nu verheugt in een zonnig welzijn en in de bewondering die dit alom wekt, zal daar dan niet onberoerd door blijven. Die uitzonderlijke toestand heeft overigens ook zijn nadelen. In elk geval bevordert hij niet per definitie de goede samenwerking met zijn buren. Bernard Bouwman schreef, ook in de krant zaterdag, dat “het politieke klimaat in België en Nederland sterk uiteen lijkt te gaan lopen”. Ook niet bevorderlijk voor de Europese eenwording, ondanks alle goede voornemens van de Beneluxbewindslieden.

Op hoe dun ijs die officiële vriendschap schaatst, blijkt uit een incident dat zich vorige week voordeed. Marc van Peel, voorzitter van de Christelijke Volkspartij - de grootste partij in Vlaanderen, waartoe ook premier Dehaene behoort - zei in een vraaggesprek met een Waalse krant dat Antwerpenaren, voor de keus gesteld de vakantie op een verlaten eiland met twee Marokkanen door te brengen dan wel met twee Nederlanders, voor het eerste alternatief zouden kiezen.

Het is natuurlijk de vraag of deze door Van Peel zelf “plastisch” genoemde opmerking niet beledigender is voor de Marokkanen dan voor de Nederlanders. In elk geval kunnen we het met een lezer van De Standaard eens zijn die schreef: “Had hij het omgekeerde gezegd, dan was hij aangeklaagd wegens discriminatie. Je buren beledigen - dat mag en kan wel volgens deze politicus. Hoe kunnen we ooit met politici van dit niveau een Europese Unie bouwen?”

Maar Van Peel zal wel politicus genoeg zijn om te weten dat zijn uitspraak, al dan niet als grap bedoeld, bij vele Vlamingen geen stormen van protest zal oproepen. Niet alleen aan stamtafels en familiefeestjes, want Syp Wynia, correspondent van Het Parool in Brussel, schrijft in dezelfde Standaard dat “het debiteren van venijn tegen Nederlanders juist bij gestudeerde Vlamingen in de mode lijkt te raken”. Van Peel sprak dus de waarheid.

Nu loopt de Nederlandse intelligantia ook niet over van liefde voor Vlaanderen. Niet dat dit daar venijn oproept; eerder goedmoedige (of althans als zodanig bedoelde) spot of geringschatting - meestal uitgaande van volslagen onwetendheid. Weliswaar geen ingrediënten voor een crisis, maar voor een wederzijds begrip, dat de Europese eenwording vooronderstelt, evenmin.