Bolkesteins lichtzinnigheid over uitstel van EMU is gevaarlijk

De oplossingen die de tegenstanders van de Economische en Monetaire Unie aandragen deugen niet, aldus Gerrit Terpstra. De EMU legt juist een stevige basis voor een gedegen beleid.

Bolkestein filosofeert vrijblijvend (NRC Handelsblad, 11 februari) over allerlei voor- en nadelen van de Economische en Monetaire Unie, terwijl hij toch als politiek leider van de VVD instemde met de komst van de EMU en medeverantwoordelijk is voor het EMU-beleid van het huidige kabinet.

Voor het gehele EMU-project is de visie van politici van groot belang. Een beetje vrijblijvend filosoferen hoort bij andere beroepsgroepen. Ik ben het met Bolkestein wel eens, dat de EMU moet beginnen onder handhaving van de criteria van Maastricht. Hij spreekt echter veel te gemakkelijk over uitstel. Van uitstel kan heel snel afstel komen. Tevens kan uitstel leiden tot een waardestijging van de gulden, die de gunstige economische ontwikkeling in Nederland in gevaar kan brengen.

Gelet op onze sterke afhankelijkheid van de Duitse economie kan ik mij niet voorstellen dat de EMU begint zonder Nederland - een mogelijkheid die Bolkestein oppert. Op dit moment profiteert Nederland van de problemen in Duitsland. Op lange termijn kunnen wij echter niet floreren zonder een florerend Duitsland.

Daarnaast kwam het pleidooi van een groot aantal economen voor uitstel van de EMU. De groep bestaat uit wetenschappers met zeer verschillende visies. Zo maakt prof Goudzwaard zich zorgen over verdergaande economische groei, terwijl prof. Kleinknecht die groei juist wil aanwakkeren door middel van hogere lonen.

De bezwaren tegen de EMU zijn velerlei. Het gaat over sociaal beleid, ecologie, democratie, de wenselijkheid het wisselkoersinstrument te kunnen blijven gebruiken en de economie aan te zwengelen via grotere tekorten.

Tijdens de vorige kabinetsperiode is het Verdrag van Maastricht goedgekeurd, inclusief de EMU en de daarvoor geldende criteria. Tijdens het debat over de ratificatie van dat verdrag in 1991 heeft de Kamer dezelfde positie bedongen als de Duitse Bondsdag. Een besluit van de Nederlandse regering over toetreding tot de derde fase van de EMU vereist goedkeuring vooraf van het parlement.

In de Kamerdebatten die aan de monetaire unie zijn gewijd, heb ik de volgende lijn verdedigd: een groot aantal landen in Noordwest-Europa vormt al sinds begin jaren tachtig een hechte D-markzone; deze zone heeft heel sterk bijgedragen aan een lage inflatie en aan een lage rente; dit is van groot belang voor de zekerheid van de burgers, als ook voor de loonontwikkeling en daarmee voor de internationale concurrentiepositie van deze landen; het beleid op monetair gebied wordt beslist in Frankfurt; via de mark en de markt wordt het beleid in de andere landen met Duitsland geharmoniseerd.

Dit gebeurt naar ieders tevredenheid. Pas toen door de kosten van de Duitse eenwording de rente ging stijgen, begonnen bijvoorbeeld Frankrijk en Nederland te klagen. Landen binnen deze zone hebben geen moment betreurd dat zij het wisselkoersmechanisme missen.

Het is vreemd dat de economen die zich zorgen maken over de armoede in Europa wel iets zien in het wisselkoersinstrument. Immers met een daling van de waarde van de munt regel je vrij anoniem een koopkrachtdaling van de bevolking in het algemeen en van het zwakste deel in het bijzonder.

Een belangrijke reden voor de huidige discussie, zeker binnen de VVD, vormt de zich verslechterende situatie in Duitsland. Dat land is bezig met een soort historische opdracht in geheel Oost-Europa, waarvoor ik groot respect heb. Elk jaar worden miljarden marken uitgegeven in de nieuwe deelstaten, in Oost-Europa en in de voormalige Sovjet-Unie.

Duitsland en Frankrijk, de kernlanden van de EMU-zone, worstelen nu zelf met de vraag of ze de gestelde criteria kunnen halen. Dit slaat alleen op het financieringstekort. Op het gebied van de staatsschuld zitten beide landen om en nabij de 60 procent, wat veel beter is dan Nederland. De vraag of de EMU op tijd begint, is vooral afhankelijk van deze beide landen. De sterk stijgende werkloosheid in Duitsland kan gemakkelijk de staatsfinanciën in de war schoppen via lagere inkomsten en hogere uitkeringen. Duitsland zal zelf orde op zaken moeten stellen.

Bij de discussie over de start van de EMU spelen de gevolgen van het niet doorgaan van de EMU ook een zeer grote rol. De Fransen zijn in geval van uitstel bang voor meelijwekkende geluiden uit de Verenigde Staten en Azië. Duitsland is vooral bevreesd voor het extra stijgen van de waarde van de mark ten opzichte van de andere Europese munten. Dat kan Kohl er nu niet bij hebben.

Met de vakbeweging, en dus ook met de economen, ben ik het volledig eens dat Europa ook een sociaal gezicht moet krijgen. Een degelijk economisch en financieel beleid is een absolute voorwaarde voor een goed werkgelegenheids- en sociaal beleid, want een slecht financieel beleid treft altijd de zwakkeren via werkloosheid en dalende inkomens.

Een veel gehoord geluid is dat de criteria vrij arbitrair zijn. Uiteraard is dit zo. Toch bestaat er een relatie tussen de drie procent tekortnorm en een schuldnorm van 60 procent van het bruto binnenlands produkt (BBP), onder voorwaarde dat de economie nominaal vijf procent groeit. Wel valt het in de discussie op, dat voorstanders van een meer wetenschappelijke normering, zoals collega Van der Ploeg van de PvdA, altijd afwijken naar boven. Ik heb liever een norm van drie procent, dan een norm die na veel wetenschappelijk werk altijd hoger uitkomt. Een groter tekort vergroot in eerste instantie de beleidsruimte en kan worden gebruikt voor het scheppen van werk. Maar na enkele jaren wordt de beleidsruimte negatief beïnvloed door de stijgende rentebetalingen. Daardoor kun je jarenlang minder doen aan werkloosheidsbestrijding.

Na Alman Metten (NRC Handelsblad, 18 december) van de socialistische fractie in het Europees Parlement gaan ook de economen nogal tekeer tegen het stabiliteitspact, zoals dat in Dublin is afgesproken. Ik heb dit idee juist wel gesteund. De kerngedachte van het stabiliteitspact is dat een land er verstandig aan doet een zodanig begrotingsbeleid te voeren dat normale conjuncturele schommelingen kunnen worden opgevangen zonder dat de overheidsfinanciën in de war raken. Nederland heeft vijftien jaar gewerkt om de scheefgroei voor 1982 weer op orde te brengen. Het voorkomen van deze scheefgroei zou ons land honderdduizenden banen en miljarden guldens gescheeld hebben.

Wat voor een land geldt geldt ook voor een euro-zone. Wel is het zo dat de conjuncturele schommelingen per land verschillen. Alle landen hebben zich uiteindelijk kunnen vinden in de formule close to balance. Binnen deze norm kunnen de lidstaten normale tegenslagen opvangen. Voor abnormale omstandigheden is er een aparte regeling. Voor onaanvaardbaar gedrag zijn er afspraken over boetes.

De economen willen dat landen ook nog de economie moeten kunnen stimuleren bij laagconjunctuur. Dat betekent slechts dat je de definitie van 'close to balance' moet aanpassen of wel moet streven naar een overschot in goede tijden. Hierover zegt de verklaring van de economen niets.

Het pact zie ik als een soort garantie voor burgers en beleggers dat de EMU-landen een degelijk financieel beleid zullen voeren, waardoor de monetaire autoriteiten zich niet alleen op het rentewapen behoeven te beroepen voor het bestrijden van de inflatie. Voor de werkgelegenheid zou dat laatste heel nadelig zijn.

Het stabiliteitspact zie ik in het geheel niet als gevaarlijk voor de werkgelegenheid. De critici gaan er ten onrechte vanuit dat je door grotere tekorten werk kunt scheppen. Dat is in het begin van de jaren tachtig niet gelukt in Nederland en lukt nu ook niet in bijvoorbeeld Griekenland. En het zal niet lukken in Europa als geheel.

Wel ben ik het met de economen eens, dat binnen de EMU-zone de arbeidsmarkt flexibeler zal worden. Tevens moet worden voorkomen dat iedereen concurreert op het gebied van fiscus, milieu en sociale zaken. Niet voor niets worden in Europa ook minimumnormen nagestreefd.

Voor Nederland is het mislukken van de EMU zó ernstig, dat ik blijf streven naar een degelijke EMU. Daar hoort ook een degelijk financieel beleid bij. Binnen de VVD wordt, onder meer door Bolkestein en Hoogervorst, te lichtzinnig gesproken over uitstel. Alsof daar voor Nederland geen grote nadelen aan kunnen zitten.

Veel economen geloven daarnaast nog steeds dat je werk kunt scheppen met een gammel financieel beleid. Dat geloof staat haaks op de stijgende waardering in Europa voor het Nederlandse beleid sinds 1982.