Afpersing door Chinese gangsters

Veel Chinese restauranthouders leiden een schraal bestaan sinds de haaienvinnensoep en de loempia uit de mode zijn. Des te wranger is het dat juist deze sappelende beroepsgroep soms belaagd wordt door landgenoten die de laatste restjes bloed uit de eetzaakjes zuigen.

Zes van deze kwelgeesten staan nu voor de Haagse rechtbank terecht. We zullen hen gemakshalve met Li, Pi, Si, Ki, Hi en Ti aanduiden. Het zijn net uitziende jonge mannen tussen de twintig en achtentwintig jaar. Vijf van hen dragen het haar half lang, de zesde is kortgeknipt en draagt zelfs een grijs pak. Als er niet een batterij van advocaten en tolken naast en achter hen stond, zou je hen kunnen aanzien voor studenten of beginnende zakenlieden.

Li en de zijnen staan terecht voor het afpersen van verscheidene Chinese restauranthouders door heel Nederland: van Wassenaar tot Zutphen. Hoe gaat zo'n afpersing in zijn werk? Daarover zullen we van de verdachten weinig te horen krijgen. Zij laten het praten liever aan hun advocaten over.

Laten we ons omwille van de overzichtelijkheid tot één geval beperken.

Op 1 oktober 1995 gaat om tien uur 's avonds de telefoon in de zaak van meneer Ho te Wassenaar. Een onbekende man vertelt hem in het Wenzhou-dialect dat hij net uit Parijs is aangekomen en dat hij Ho's adres en telefoonnummer van een vriend heeft gekregen. Hij heeft dringend geld nodig. Wil Ho hem wat lenen?

Nee, zegt Ho, dat doe ik nooit.

Dat is dan jammer voor Ho, zegt de beller, want dat geld - dertig mille om precies te zijn - moet er toch echt komen.

Ik heb het gewoon niet, zegt Ho.

De beller vloekt hevig. Ho heeft toch zeker een mooie, grote zaak? En hij wil die mooie, grote zaak toch nog wel een poosje mooi en groot houden? Nou dan. Kom over de brug met dat geld, Ho. Leg het in je restaurant klaar, dan komen we het met een paar jongens even ophalen. We drinken een pilsje, en we zijn weg.

Oké Ho? Had jij trouwens niet zulke aardige kinderen? Jij bent vast een goede vader!

Even later weer een telefoontje. Mevrouw Ho neemt op. Of de baas er is? Nee, die is net weg. Het is een gevreesde, telefonische vraag in veel Chinese restaurants: is de baas er ook?. Ze weten je altijd wel te vinden, is de ervaring. Als Ho zich schuilhoudt, bellen ze zijn medewerker, Tjang. Zeven verschillende mensen komen aan de telefoon om Tjang te zeggen dat zijn baas zal sterven als hij geen geld wil geven.

Ho is al na het eerste telefoontje doodsbang. Hij is op de hoogte van de vele afpersingen van Chinese restauranthouders. De volgende dag doet hij aangifte.

Twee weken later. Vier Chinese mannen melden zich bij de keuken van Ho's restaurant, zij vragen, inderdaad, naar 'de baas'. Eén van de mannen, Li, stapt naar binnen, maar Ho's vader weet hem eruit te duwen. De politie wordt gewaarschuwd en is snel ter plekke. De mannen worden gearresteerd, Li gooit vlug zijn pistool in het water.

Twee Chinezen worden aan de vreemdelingendienst overgedragen, Li en Pi komen na een poosje vrij uit voorlopige hechtenis.

Dan gaat wéér de telefoon bij Ho. Zijn vader neemt op. Het is Li. Hij blijkt de bendeleider te zijn. Het huis van bewaring heeft hem niet milder gemaakt. Zijn de Ho's gek geworden? Li eist een schadevergoeding voor het feit dat hij en de anderen hebben vastgezeten. Het gaat de familie Ho dertig tot veertig mille kosten.

Opa Ho bezwijkt, doodsbenauwd als hij is voor het lot van zijn kinderen en kleinkinderen. Toen Li en Pi nog vastzaten, was er al een anoniem telefoontje binnengekomen. Een donkere mannenstem had gezegd: “Jij hoerenjong, ik neuk je moeder van de wereld, jij slaapt zeker 's nachts wel lekker, blijf jij maar thuis afwachten.”

Opa Ho laat een familielid 12.000 gulden brengen naar een restaurant in Arnhem, waar het geld door Li - samen met Ti - in ontvangst wordt genomen. Het is eigenlijk niet genoeg, zegt Li, maar vooruit.

Ti bevestigt tegenover de rechtbank dat Li in het Arnhemse restaurant 12.000 gulden heeft gekregen.

“Wist u dat het om afpersing ging?” vraagt de voorzittende rechter, mr. G. Bodewes.

“Nee. Ik dacht dat het een vergoeding was.”

“Een vergoeding waarvoor?” vraagt de officier van justitie, mr. C. Schaap.

“Voor het feit dat we in de gevangenis hebben gezeten”, zegt Ti. “Ik denk dat hij zich schuldig voelde.”

Een verrassend openhartig antwoord, té openhartig, lijkt Li te denken. “Ik ben niet in dat restaurant geweest”, zegt hij haastig.

“Was u destijds wél in het restaurant in Wassenaar?” vraagt de officier.

“Nee.”

“U bent door twee mensen herkend. U had haar dat langer is dan normaal voor Chinezen.”

“Toen ik werd aangehouden, had ik nog kort haar.”

Dit is de uitgebreidste dialoog waartoe Li zich laat verleiden. Van praten word je als beroepsmisdadiger nooit veel wijzer, moet hij uit eigen ervaring weten. En er valt veel te verbergen, want Li is bij de nodige louche zaakjes betrokken.

In groepjes van wisselende samenstelling belaagden Li en zijn kompanen Chinese restauranthouders. Sommigen werden geprest deel te nemen aan clandestiene gokspelen. Verloren ze die, dan moesten ze grote schulden aangaan bij de illegale casinobazen.

Soms noemden de afpersers hun bemoeienis 'bemiddeling', een andere keer chanteerden ze iemand met kennis over zijn privéleven: als hij bijvoorbeeld een werkneemster zwanger had gemaakt.

De officier van justitie schetst een grimmig beeld van dergelijke Chinese benden. Het gaat vaak om rijke, jonge Chinezen in elegante kostuums die met honderden vanuit Parijs over Europa uitwaaieren. Vooral in Frankrijk en Italië zijn ze actief. Ze smokkelen voor tienduizenden guldens per persoon Chinezen naar Europa, en persen landgenoten af. Ook van Li wordt vermoed dat hij nauwe contacten heeft met een Chinese groepering in Parijs.

Onder de Chinezen in Nederland bestaat veel angst voor de jonge gangsters. De horeca heeft een vertrouwenslijn voor het melden van afpersingen, maar de Chinese restauranthouders maken er slechts sporadisch gebruik van.

“Door de reorganisatie, en daarmee de despecialisatie, van de politie is er de laatste jaren nauwelijks aandacht geweest voor deze vorm van criminaliteit”, zegt de officier. Het politiekorps Haaglanden trok zich de kritiek aan en startte het Polo-project (naar Marco Polo) om de Chinese mafia een halt toe te roepen.

De officier eist onvoorwaardelijke gevangenisstraffen: van twee jaar tot zes jaar (voor Li).

Twee weken later wordt Li conform de eis veroordeeld, de straffen van de anderen variëren van 1,5 tot 2,5 jaar gevangenis.

De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.