Nederland kan niet beslissen buiten de EMU te blijven

Het is curieus dat het publieke debat over de Economische en Monetaire Unie nu pas oplaait. Jarenlang werden ons, ten onrechte, Denemarken, Frankrijk en Groot-Brittannië ten voorbeeld gesteld. Daar zou het debat wel volop woeden - bij ons was de dood in de pot. Nu is er in de media althans een EMU-debat. Het andere debat - over de mogelijkheid om de EU naar het oosten uit te breiden zolang haar structuur zo krakkemikkig is - moet nog komen.

Waarom de EMU nu? Omdat de datum nadert (voorjaar 1998) waarop de Europese Raad zal vaststellen welke landen voldoen aan de criteria die in art. 109J van het Verdrag van Maastricht voor de toelating tot de EMU zijn vastgesteld.

In zijn gesprek met Maarten Schinkel (NRC Handelsblad, 11 februari) geeft Frits Bolkestein een heldere uiteenzetting over het mogelijk afnemen van de ruimte voor nationaal economisch beleid onder de ene munt. Maar hij kiest toch voor invoering daarvan. Omdat hij daar zelf in 1992 met zijn fractie van harte voor heeft gestemd, zo neem ik aan. Maar ook omdat, zegt hij, binnen de EMU concurrerende devaluatie onmogelijk wordt en de euro naast de dollar en de yen de derde wereldvaluta wordt. Dat zijn goede redenen.

Maar dat gezegd zijnde komt de angel. Bolkestein wil om 'realpolitische' redenen dat aan de toelatingscriteria (geringe inflatie, gezonde overheidsfinanciën, geringe fluctuaties in wisselkoers, een lage rentevoet) strikt de hand wordt gehouden. Hij weet dat dit tot gevolg zou kunnen hebben dat zelfs de Duitsers uit de boot vallen, waardoor de zaak niet door gaat.

Dit nu is typisch 'bolkisme': krachtige en intelligente kritiek uiten op de EMU en op de toetreding daartoe, terwijl je er intussen wel politiek voorstander van blijft.

Hij past zijn bolkistische aanpak reeds enige tijd op meesterlijke wijze toe. Omdat hij fractievoorzitter is van een grote regeringspartij krijgt zijn kritiek veel aandacht, veel meer dan wanneer precies hetzelfde wordt (en is) gezegd door mindere goden, vanwege de oppositie of door intelligente commentatoren. Aan de andere kant ziet hij kans die kritiek zo te formuleren dat hij binnen het bestaande fractiestandpunt lijkt te blijven.

Ik spits dit even toe op wat Bolkestein zegt over de toetreding van Nederland tot de EMU. Hij voorziet daarover volgend jaar een debat in de Kamer. “Ik acht het daarbij politiek ongewenst, zelfs uitgesloten, dat een Nederlands kabinet op dat moment zou ingaan tegen de wens van een meerderheid van de Tweede Kamer”, zegt hij.

Hoe nu? Weet Bolkestein dan niet dat wij ons al in 1992, bij de goedkeuring van het EU-verdrag, hebben verbonden om per 1 januari 1999 toe te treden? Wat valt er dan te debatteren?

Bolkestein hangt zijn wens op aan de Duitse reserves op het punt van toetreding. Sinds de uitspraak van het Duitse constitutionele hof in Karslruhe, in 1992, dat het Duitse parlement bij het overdragen van bevoegdheden aan supranationale instituties het laatste woord moet hebben, zouden volgens hem Bondsdag en Bondsraad de bevoegdheid hebben om over Duitse toetreding te beslissen.

Dat komt mij voor als een miskenning van die uitspraak van het hof. Want Bondsdag en Bondsraad hebben 'Maastricht' - inclusief de EMU-bepalingen - uitdrukkelijk goedgekeurd. De twijfels van het hof over die goedkeuringswet zijn in algemene zin gebaseerd op het overdragen van bevoegdheden aan een supranationaal orgaan, zonder dat tevens aan een Europees parlement controlerende bevoegdheden worden overgedragen (het Grundgesetz stelt immers apodictisch: “Alle Staatsgewalt geht vom Volke aus”, art. 20, lid 4). Dit “democratisch tekort” van de EU is inderdaad ernstig, maar verbetering daarvan stuit helaas - dat zal ook tijdens de top in Amsterdam blijken als het gaat over wijziging van het EU-verdrag - op weerstand bij bijvoorbeeld Britten, Fransen en Scandinaviërs.

Karlsruhe heeft art. 109J echter niet ongeldig gemaakt. De Bondsrepubliek zou haar verdragsverplichting schenden als zij, hoewel de Europese Raad vaststelt dat het land aan de criteria voldoet, niet zou toetreden. Dan moet tijdens de top in Amsterdam, of later dit jaar in Luxemburg, het verdrag zelf op dit punt worden gewijzigd. En dat zie ik niet gebeuren (eenstemmigheid is dan nodig, plus goedkeuring in alle vijftien lidstaten).

Omdat Duitsland zou willen beslissen om al dan niet toe te treden, en Frankrijk dan niet achter kan blijven, aldus Bolkestein, is er ook in Nederland ruimte voor een debat over de vraag of Nederland moet toetreden. Maar zijn uitgangspunt (“Het Bundesverfassungsrecht heeft geoordeeld dat de Bondsdag kan beslissen over toetreding”) deugt niet, waarmee ook de rest van zijn redenering vervalt.

Ik was in 1992 medeondertekenaar van een amendement op onze goedkeuringswet van het EU-verdrag. In art. 5 daarvan staat nu dat de regering vooraf instemming moet hebben van de Staten-Generaal over de stem die de regering uitbrengt in de Europese Raad bij de toelating van andere landen tot de EMU. Ook de Bondsdag heeft zo'n eis opgenomen in de Duitse goedkeuringswet.

Want dat was toen, en is nu, onze zorg: dat door toelating van zwakke munten de euro zou verwateren. Bolkestein is zich in zijn verhaal bewust dat de bevoegdheid van het parlement zich hiertoe beperkt. Maar hij rekt dit op tot een recht van beslissing over onze eigen toetreding, waarbij de regering (zie het citaat) de wil van de Kamer zou moeten volgen. Maar hoe dan wel? De regering kan niet anders dan onze verdragsverplichting uitvoeren, te weten toetreden tot de EMU wanneer de Europese Raad bij gekwalificeerde meerderheid vaststelt dat Nederland aan de criteria voldoet. In die raad kan Nederland natuurlijk zelf tegenstemmen. Maar wij maken ons dan wel belachelijk, als uit de rapportages van de Europese Commissie en van het Europees Monetair Instituut (president op dit moment: Wim Duisenberg) zonneklaar blijkt dat wij wél aan de criteria voldoen.

Er is maar één manier om te zorgen dat we worden buitengesloten: willens en wetens een beleid voeren waardoor wij niet meer aan de criteria voldoen. Dat is natuurlijk onverantwoordelijk, en zeker Bolkestein zal dat willen voorkomen. Van de andere kant is een uitspraak van de Kamer 'Nederland doet niet mee omdat de Europese Raad dreigt de criteria onvoldoende streng toe te passen' strijdig met onze verdragsverplichting om beschikbaar te zijn voor de EMU. Er is dus geen ruimte om de beslissing uit 1992 over te doen.

Daarmee ben ik terug bij mijn uitgangspunt. Het is heel moeilijk een publiek debat op gang te brengen als er geen grote conflicten bestaan. In 1992 is volop en inhoudelijk gedebatteerd. Alle voor- en nadelen van de EMU die nu in het debat naar voren komen, zijn toen al gedebiteerd. Alleen vormden zij geen conflictstof, waardoor een pittig debat ontbrak. Bolkestein en De Beus - een partijgenoot van mij wiens dwarse bijdrage te vinden was in deze krant op 12 februari - hadden bijvoorbeeld het onderwerp nog niet ontdekt. Daardoor hadden ook de politieke verslaggevers (zij leven van conflictstof, en naar het lijkt daarvan alleen) geen belangstelling.

Er bestaat nog een manier om toch een debat te forceren: de kwestie hoog opspelen, waarbij je een beroep doet op valse sentimenten en bewust een verkeerde voorstelling van zaken geeft. Bob van den Bos, Kamerlid van D66, bestreed terecht in dit blad (15 januari) dit verkeerde soort debat tussen Euro-idealisten en Eurosceptici. Hij werd prompt, zelfs door Heldring (24 januari), op onbillijke wijze ervan beticht dat hij geen debat over Europa wilde. Het omgekeerde is waar: parlementariërs als hij en ik, die zich met de EU en de EMU bezig houden, zijn juist verheugd dat nu eindelijk aandacht ontstaat voor het reeds in 1991/2 gevoerde debat. Maar niet op de kijfzieke Britse manier.

Het blijkt al met al dat bolkistisch gedrag de beste manier is om aandacht te trekken: je levert als politiek leider van je partij krachtige EMU-sceptische kritiek. Je dreigt zelfs met een uitspraak van de Kamer, waarvan je weet dat de regering zich er toch niet aan zal kunnen houden. Je legt je vervolgens neer bij EMU-vriendelijk beleid van je fractie. Je hebt het debat dan heel gewiekst gevoerd, en wel met jezelf. Je hebt daarmee én de critici én de voorstanders gunstig gestemd. En Maarten Schinkel schrijft het nog voor je op ook. Knap.

    • Erik Jurgens