Hamburg brengt ode aan de Schuylkill

Concert: Noordhollands Philharmonisch Orkest o.l.v. David Porcelijn. Gehoord: 16/2 Concertgebouw Haarlem.

Milhauds eerbetoon aan de Rhône in de symfonie Rhodaienne, Saint-Saens' Sur les bords du Nil, Smetana's Moldau en Schumann's 'Rheinische' symfonie: daaraan kan nu Jeff Hamburg's Schuylkill worden toegevoegd.

Schuylkill voor strijkorkest, dat een luid bejubelde première beleefde bij het Noordhollands Philharmonisch Orkest, verwijst naar de Schuylkill River, die Philadelphia, de geboorteplaats van de componist, passeert om uit te stromen in de Delaware River halverwege Washington. De naam is een pleonasme, Schuylkill betekent letterlijk in oud-Hollands: verscholen geul, een verborgen rivier tussen twee zandbanken.

Pas toen de in Amsterdam wonende Hamburg zich bewust werd dat de inzet van zijn werk sterk herinnert aan die van Smetana's Moldau, besloot hij dat er sprake was van een ode aan de Schuylkill. Opgewekt, ja zelfs vrolijk, zo stromen de 32sten nootjes, opgejaagd door stuwende pizzicati, hoekiger dan bij Smetana, maar de mollige hoorns ontbreken dan ook. Toch klinkt het werk Oosteuropees, zeker wanneer obsessieve voorslagjes een meer dan dansante beweging suggereren. En dat geldt later in nog sterkere mate voor de aanstekelijk fysieke koppeling van vierkwarts- aan vijfachtste maten.

Opvallend is een bredere melodische uitwerking, die beide dansen onderbreekt, zoals ook het vrolijke stromen enkele malen terugkeert. Opmerkelijk is de opbouw vanuit de laagte en het feit dat er maar twee contrabassen klinken voor een donkere, enigszins weemoedig omfloerste achtergrond als een gonzende constante. En zo ontstaat met die hoekige vrolijkheid een dialoog tussen droom en werkelijkheid. Schuylkill is een zowel antwoord op en een aanwinst voor de romantische strijkorkesttraditie.

Zoals Hamburg ernaar streefde het gehele spectrum van zijn ensemble te benutten, zo beperkt klinkt Niccolo Castiglioni's luchtige Quodlibet (1976) voor piano en orkest met continue strijkersflageoletten, celesta en hoge harp als een muziek voor een film over krioelende insecten. Alles glinstert en fonkelt: hoog, hoger, hoogst, als een bataljon op hol geslagen speeldozen. De titel Quodlibet verwijst naar de flarden Bach en romantiek, Castiglioni neemt letterlijk en figuurlijk met alles een loopje.

Dan is het Iannis Xenakis in Eonta (Het zijnde) ernst. De combinatie van piano met koperkwintet roept een ongekende hoogst abstracte wereld op, overweldigend op het moorddadige af, Eonta-kill zou een veel betere titel zijn geweest. De uitvoering was grandioos, meestal neemt men een hoog tempo en ramt er maar op los. Pianist Geoffrey Madge bleef in deze uitputtingsslag geraffineerd nuances spelen. Het waren stuk voor stuk gedenkwaardige uitvoeringen en David Porcelijn hield in Weberns Variationen prachtig de grote lijn vast. Het concert was voorbeeldige en eenmalig.