Ebeling Koning schildert inktpotten als alibi

Tentoonstelling: Hans Ebeling Koning. Schilderijen, gouaches tekeningen. T/m 16 maart in Rijksmuseum Twente, Lasondersingel 129-131, Enschede. Di t/m zo 11-17u. Catalogus ƒ 45,-

Zes suikerbieten, drie sandalen, vier inktpotten, één typemachine, twee bomen: een willekeurige greep uit de tamelijk onbenullige onderwerpen in het nagenoeg onbekende, maar opmerkelijke oeuvre van de schilder Hans Ebeling Koning (Bilthoven, 1931). De ongeveer honderd schilderijen, gouaches en tekeningen, meest gemaakt in de afgelopen vijftien jaar, zijn nu samengebracht in een grote overzichtstentoonstelling in het Rijksmuseum Twente in Enschede. Ze gaan onmiskenbaar over schilderen. Het is de tweede tentoonstelling uit een serie die het museum na een renovatie en uitbreiding presenteert. De eerste bood een overzicht van Ben Akkerman; volgend jaar staat Jan Roeland op het programma.

Een goed voorbeeld van een typische Ebeling Koning is het schilderij met de vier inktpotten: een olieverfdoek van één meter dertig bij één meter, waarop vier potten staan afgebeeld. De compositie is als vijf stippen op een dobbelsteen. Een omgekeerde dop vormt het middelpunt van het doek. Daaromheen zijn de potjes gegroepeerd.

Als we de inktpotten even laten voor wat ze zijn, raken we al gauw gecharmeerd door de wijze waarop enkele elementaire krachten van de schilderkunst zoals compositie, kleur en stijl in elkaar grijpen. Het doek ziet er smaakvol uit en beantwoordt aan zowat alles waar het in de schilderkunst om gaat. De aantrekkelijke vormen die de inktpotjes in het echt vertonen worden in het schilderij niet geaccentueerd, maar gaan bijna onmerkbaar over in de restruimten.De achtergrond kan men eigenlijk geen achtergrond noemen maar bestaat uit zuiver abstracte schildersfantasie die in de verste verte niet aan een tafelblad doet denken. Restruimte en onderwerp zijn op onverklaarbare wijze opgebouwd uit tientallen kleurtonen en vreemde vlakken van allerhande snit. De stijl waarin het geheel is verbeeld, zou je soms los of lui, dan weer stijf, mallotig of intelligent kunnen noemen.

Ebeling Koning verklaart de inktpot niet, maar gebruikt hem als alibi, als houvast voor zichzelf en wellicht ook voor de kijker. De keuze voor een onbenullig voorwerp is een echte schilderstruc om de aandacht naar het schilderen zelf te trekken, al zijn er altijd wel weer mensen op zoek naar symboliek en diepere bedoeling.

Hans Ebeling Koning wordt door het museum getypeerd als een schilder die als eenling opereert en zich niet bekommerd om actuele trends. Toch maakt de tentoonstelling duidelijk waar zijn wortels liggen. Enkele vroege doeken zijn stripachtig en duidelijk beïnvloed door de Belg Raveel en ook, zij het in iets mindere mate, vinden we er als een postmodern citaat iets in terug van David Hockney.

In een boom of bloem laat zich een vroege Mondriaan herkennen, we zien een echo van het Duits expressionisme en ook Cobra komt af en toe om de hoek kijken. Maar telkens verwerkt hij ze in een vlotte behendige stijl. Soms ontstaat zelfs de indruk dat hij de manier waarop kunstenaars kijken ironiseert. Hij speelt dan de schilder die het schilderen schildert.

Misschien is deze houding het gevolg van het dertig jaar lang schilder- en tekenlessen geven aan de A.K.I. in Enschede, waar hij zelf ook werd opgeleid. Zijn werk is tot op zekere hoogte ontoegankelijk voor wie niet thuis is in de schilderkunst maar hij toont ook ondubbelzinnig dat er waarden in de schilderkunst zijn die het verdienen om te worden verdedigd. Daardoor verdient Ebeling Koning zeker een plaats in de Nederlandse schilderkunst.

    • Mark Peeters