De ondernemingsraad wordt zoetgehouden

Van der Heijden (28 januari) is te optimistisch over de groeiende betekenis van de Nederlandse ondernemingsraad in de arbeidsverhoudingen. Ik ben de laatste om te ontkennen dat Van der Heijden juridisch gezien gelijk heeft.

Inderdaad zijn, sinds de Wet op de Ondernemingsraden (WOR) ook op het overheidsterrein van toepassing is, de bevoegdheden van de OR uitgebreid en wordt met de invoering van de ondernemingsovereenkomst weer een verdere stap gezet in de richting van het Duitse model van de medezeggenschap, waarin al sinds jaren de Betriebsrat bindende overeenkomsten met de bedrijfsleiding sluit over arbeidsvoorwaarden.

Maar ik vind dat een gevaarlijke ontwikkeling, omdat in andere opzichten de Duitse arbeidsverhoudingen verschillen van die in Nederland. Het door Schilstra (4 februari) genoemde risico, dat de vakorganisaties op den duur geheel buiten spel kunnen worden geplaatst, is in Nederland groter dan bij onze oosterburen. Niet alleen omdat de Duitse eenheidsvakbeweging een sterkere positie inneemt, maar omdat de Tarifautonomie van de werkgevers- en werknemersorganisaties wettelijk veel steviger is gegarandeerd.

Ik ben het eens met de conclusie van Schilstra: OR en vakbond kunnen niet zonder elkaar, maar hun relatie vertoont nogal wat variatie naar gelang van organisatiegraad, bedrijfsverhoudingen, ondernemings- en vakbondsbeleid. Dat geldt per afzonderlijk bedrijf, maar ook op hogere niveaus. Naar mijn mening heeft de vakbeweging centraal al te luchthartig het alleenrecht op de onderhandeling over arbeidsvoorwaarden uit handen gegeven door akkoord te gaan met het uitwerken van bedrijfstak-CAO's op bedrijfsniveau door de ondernemingsraad. En door het aanvaarden van de ondernemingsovereenkomst waar geen CAO bestaat. Dat geldt temeer nu het beleid van de werkgeversorganisaties gericht is op zoveel mogelijk decentralisatie. Uit een oogpunt van flexibilisering zal dat wel noodzakelijk zijn, maar de vakbeweging zou moeten eisen dat ook bedrijfsregelingen van arbeidsvoorwaarden door de vakbondsdelegatie onder controle van de vakbondsleden worden overeengekomen.

Dat Van der Heijden bovendien nog suggereert dat werkgevers de ondernemingsovereenkomst die zij met de OR sluiten bindend zouden kunnen maken voor de individuele werknemer (via het individuele arbeidscontract), maakt het door Schilstra gesignaleerde risico van ondermijning van de vakbeweging nog ernstiger. Voor iedereen die de overlegeconomie en vakbondsinvloed op arbeidsvoorwaarden uit maatschappijke overwegingen belangrijk vindt, is dat geen best vooruitzicht. Maar ook niet voor voorstanders van democratisering van bedrijfsverhoudingen. De OR is niet bedoeld als surrogaat-vakbond, maar als vormgeving van werknemersinvloed op het totale ondernemingsbeleid.