Zuilen, muren en sfinxen; De haven van Alexandrië is een archeologisch paradijs

De Egyptische godin Isis werd als eerste gevonden. Inmiddels zijn voor de kust van Alexandrië zo'n tweeduizend brokstukken van muren, zuilen, obelisken en beelden opgedoken. Mogelijk zijn er delen bij van de befaamde vuurtoren of van het paleis van Cleopatra.

'PHAROS VAN ALEXANDRIË ontdekt, Paleis van Cleopatra gelokaliseerd.' Onder koppen van dergelijke strekking brachten de kranten in november vorig jaar het nieuws van de spectaculaire ontdekkingen op de zeebodem voor de kust van Alexandrië in Egypte. Televisiebeelden toonden kolossale steenklompen. De Pharos was meer dan een vuurtoren, het was een van de zeven wereldwonderen van de antieke wereld. Het paleis van Cleopatra was van een vrouw van naam, de laatste koningin van de dynastie der Ptolemaeën, minnares van de Romeinse bevelhebbers Julius Caesar en Marcus Antonius.

Naast bewondering voor de prestaties van de onderzoekers waren er echter twijfels over de snelle associatie met de Pharos en Cleopatra's paleis. De Engelse oudhistoricus Peter Frazer, schrijver van het standaardwerk Ptolemaic Alexandria (Oxford 1972), formuleerde in de Sunday Times zijn bedenkingen, in het bijzonder tegen de lokalisering van Cleopatra's paleis. Cleopatra was niet de enige vorstin die een paleis liet bouwen, de meeste Ptolemaeën waren haar daarin voorgegaan. Niet ver van waar Cleopatra's paleis zou hebben gestaan, aan de zuidkant van de grote haven, stonden de paleizen van Ptolemaeus I en zijn opvolgers. Wie zegt dat de monumentale blokken niet daarvan afkomstig zijn?

Maar ook zonder spectaculaire onthullingen zijn de resultaten van het onderzoek onder water belangwekkend genoeg. Honderden brokstukken van muren, zuilen, kapitelen, sfinxen, obelisken en beelden vormen een gigantische bron van informatie over de monumentale architectuur die Alexandrië tot een van de indrukwekkendste steden van de Oudheid moet hebben gemaakt. In de Hellenistische tijd, de periode na de dood van Alexander de Grote in 323 v.Chr., tot de vestiging van het Romeinse keizerrijk aan het eind van de eerste eeuw voor Christus, was Alexandrië de belangrijkste stad van de mediterrane wereld.

HERDERSDORPJE

De geschiedenis van Alexandrië gaat terug tot het jaar 331 v.Chr. Deinocrates uit Rhodos, een van de beste architecten van zijn tijd, en de jonge Alexander, koning van Macedonië, bezig met zijn veroveringstocht, troffen elkaar in het onbeduidende herdersdorpje Rhakotis. Alexander had het plan opgevat in de Nijldelta een stad te stichten, Deinocrates had het idee uitgewerkt. De plek bestond uit een dertig meter hoge heuvelrug die als een diagonaal liep tussen de Middellandse Zee in het noorden en het Mareotismeer in het zuiden en oosten. In het westen vormde de Canopische zijarm van de Nijl de grens. Vlak voor de kust lag een klein eilandje, Pharos, dat in het ontwerp van Deinocrates door een bijna 1.200 meter lange dam (het latere heptastadium) met het vasteland moest worden verbonden. Zo zouden er twee havens ontstaan, de Eunostos-haven in het westen, kunstmatig aangelegd met strekdammen en door een kanaal met het Mareotismeer verbonden, en een natuurlijke haven voor de grote zeeschepen aan de oostkant. Achter de haven en de koninklijke paleizen werd een stad met een ruim stratenplan geprojecteerd.

Na de dood van Alexander - hij stierf in Babylon, zijn lichaam werd in een praalgraf in Alexandrië bijgezet - brak een machtsstrijd uit onder zijn generaals. Een van hen, Ptolemaeus, wist de heerschappij te verwerven. Deze grondlegger van de Ptolemaeïsche dynastie, die de naam Soter (Redder) kreeg, wordt beschouwd als de man die de stad heeft verrijkt met de Pharos, het Museum en de Bibliotheek, bouwwerken die de terreinen symboliseren waarop Alexandrië zich zou onderscheiden: economie, cultuur en wetenschap.

Niet bekend

Ook van de Pharos, de vuurtoren gebouwd op een strekdam die uit het oostelijk deel van het gelijknamige eiland liep, is weinig concreets bekend. Maar er heerst geen twijfel dat de bouw een zeer gedurfd project was, dat in de oudheid alom bewondering wekte. De Pharos - het ontwerp was vermoedelijk van Sostratus van Cnidus, de gebruikte materialen waren marmer of kalksteen - zou meer dan 130 meter hoog zijn geweest en drie niveaus hebben geteld. Het onderste plateau was vierkant en via een spiraalvormige trap verbonden met een tweede, achthoekige verdieping. Vandaar leidde een trap naar de hoogste afdeling, cylindrisch van vorm. Daar brandde permanent een groot vuur dat van verre - een afstand van 30 mijl wordt genoemd - zichtbaar was. Door gebruik van spiegels werd het effect nog vergroot. Op de top van de Pharos zou een beeld van Zeus Soter hebben gestaan.

Na de dood van Ptolemaeus I gingen zijn opvolgers op de ingeslagen weg voort. In hoog tempo werd de stad verder uitgebouwd en verfraaid. Handelsfirma's richtten grote kantoren in aan de kaden, de haven werd voortdurend gemoderniseerd om plaats te bieden aan de uitdijende handelsvloot. De culturele groei hield hiermee gelijke tred. Elke koning ontwikkelde een eigen bouwpolitiek. Hij bouwde theaters, gymnasia en tempels voor de goden, vereeuwigde zichzelf in monumentale beelden. De stad groeide uit tot een kosmopolitische gemeenschap met een bevolking van vooral Grieken, Macedoniërs, Egyptenaren en joden, die allen hun eigen zeden, gewoonten en goden meebrachten. Op zeker moment telde Alexandrië meer dan 300.000 inwoners.

Hoe machtig de Ptolemaeën ook waren, ze moesten het afleggen tegen de Romeinen, die hun invloedssfeer in het oostelijk Middellandse-Zeegebied gestaag uitbreidden. De genadeklap viel in 31 v.Chr.. Koningin Cleopatra had haar broer Ptolemaeus XIII uitgeschakeld en nam het samen met haar minnaar Marcus Antonius op tegen Octavianus, Antonius' laatste concurrent in de strijd om de macht in het Romeinse Rijk. Bij Actium in Noordwest-Griekenland vond de confrontatie plaats. Octavianus won, Cleopatra en Antonius vluchtten terug naar Egypte en pleegden zelfmoord. Egypte werd een Romeins gewest, het persoonlijk bezit van Octavianus, die onder de naam Augustus de eerste Romeinse keizer werd. Veel veranderde er niet. Uit respect voor de culturele en religieuze verworvenheden van de Alexandrijnen lieten de Romeinen veel bestaande structuren intact. De economische positie van de stad bleef onverminderd sterk. Egypte werd voor de Romeinen een belangrijke graanleverancier. Uit het binnenland werd het graan over de Nijl naar Alexandrië vervoerd en vandaar naar Rome verscheept.

In de late Oudheid ging het bergafwaarts met de stad als gevolg van epidemieën, burgertwisten, jodenvervolgingen en ruzies tussen christenen en ketters. Aan het eind van de vijfde eeuw ging de stad op in het Oost-Romeinse Rijk en verdween in de schaduw van Constantinopel. In 642 was het met de Alexandrijnse handel gedaan, toen de stad door de Arabische generaal Amr Ibn al-As werd ingenomen. Aan de contacten met het Westen kwam een einde.

ISIS

Welk verhaal de restanten op de zeebodem ook zullen vertellen, zeker is dat ze de kennis van de Alexandrijnse architectuur aanmerkelijk zullen vergroten. Verwoestingen en aardbevingen die Alexandrië hebben getroffen, hebben archeologisch onderzoek ernstig beperkt. Aangenomen wordt dat vooral een grote aardbeving in de dertiende eeuw een vernietigende uitwerking heeft gehad. De Pharos, de paleizen aan de kustlijn en andere bouwwerken zouden ineengestort zijn en in brokken in zee zijn beland.

Doordat de zee ter plaatse niet meer dan 6 tot 8 meter diep is, moeten snorkelduikers al lang weet hebben gehad van grote steenklompen op de zeebodem. Aan werkelijk onderzoek werd echter pas gedacht, toen in 1961 een enorm beeld van de Egyptische godin Isis werd gelicht, dat van de knieën tot het hoofd 6.6 meter meet. De buitenwereld was er nu van overtuigd dat hier een archeologisch paradijs moest liggen. In 1965 kreeg Honor Frost, een van de pioniers van de onderwaterarcheologie, van de UNESCO opdracht een oriënterend onderzoek te doen. Zij kon de autoriteiten tekeningen van enkele opvallende fragmenten aanbieden. Maar het zou tot 1994 duren voordat het onderzoek grootscheeps werd aangepakt. Directe aanleiding was de beoogde bouw van een golfbreker ter bescherming van de Mamelukse burcht van Quaitbay, die veel van wat op de zeebodem ligt onder een laag beton zou bedelven. In samenwerking met de Egyptische Inspectie van Oudheden nam het Institut Français d'Archéologie Orientale het initiatief tot een nader onderzoek. In drie campagnes werd onder leiding van de Franse archeoloog Jean-Yves Empereur een gebied van 2,25 hectare oostelijk van de burcht door 30 Franse en Egyptische duikers systematisch onderzocht en in kaart gebracht. Het resultaat was verbluffend. Empereur en zijn duikers registreerden op de zeebodem meer dan 2.000 delen van zuilen, voetstukken, kapitelen, obelisken en beelden, merendeels van Aswan-graniet.

Het onderzoek heeft zich in twee zones geconcentreerd. In de oostelijke zone werden blokken en zuilen aangetroffen, die er op zouden wijzen dat hier monumentale paleizen hebben gestaan. Het paleis van Cleopatra, van een van haar voorgangers, of de tempel die daar later voor keizer Augustus werd opgericht? In het noordelijk gebied ontdekte men geweldige brokken graniet. Doordat ze zijn aangetroffen in de nabije omgeving van de plek waar eens de Pharos heeft gestaan en van grote hoogte lijken te zijn neergekomen, leggen de opgravers een rechtstreeks verband met die vuurtoren. Maar anderen wijzen erop dat in 1365 de Mamelukse gouverneur van de stad de haven met deze blokken blokkeerde als antwoord op de verwoestingen die de Cypriotische koning Peter I in Alexandrië had aangericht. Weer anderen houden het er op dat die blokken later in zee zijn gestort ter bescherming van de burcht van Quaitbay.

De vondsten zijn vooral van belang omdat een groot deel stamt uit de tijd van de farao's, ver voor de Ptolemaeïsche tijd. Zo zijn er 12 sfinxen gelokaliseerd, op een aantal waarvan de namen van Sesostris III uit de 12de dynastie (1878-1841 v.Chr.), Ramses II uit de 19de dynastie (1290-1224 v.Chr.) en Psammetichus II uit de 26ste dynastie (595-589 v.Chr.) zijn gegraveerd. Drie obelisken dragen eveneens namen, van Sethos I (1304-1290 v.Chr.), de vader van Ramses II, en van Psammetichus II. Bovendien zijn er nog vele blokken gevonden uit de tijd van de farao's, alle afkomstig uit Heliopolis, dat in de Ptolemaeïsche tijd als steengroeve fungeerde. Ze kregen een plaats in of bij de monumentale bouwwerken die door de Ptolemaeën naast Griekse tempels en openbare gebouwen werden opgericht.

De beelden, sfinxen en obelisken vertellen niet alleen over de artistieke smaak van de Ptolemaeën, maar ook over hun ideeënwereld, hun politieke ambities en over de wijze waarop zij hun koningschap beleefden. Omdat zij zich beschouwden als de opvolgers van de roemrijke farao's, legden ze een directe verbinding met dat verleden door de monumentale kunst van de farao's in hun hoofdstad te integreren. Door zich als farao's te laten portretteren kregen zij een extra goddelijke dimensie.

DAM

De vraag is nu hoe het verder moet met de resten van het oude Alexandrië. Tot nu toe zijn 34 massieve blokken uit zee gelicht. De bekendste daarvan zijn, naast het al eerder genoemde Isis-beeld, een bijna 4,5 meter hoog stuk van een beeld van een Ptolemaeïsche koning, afgebeeld als farao, en enkele sfinxen. Ze zullen waarschijnlijk een plaats krijgen op de binnenplaats van de burcht van Quaitbay. Aangezien niet alle brokstukken boven water kunnen worden gehaald, dreigen ze voorgoed verloren te gaan onder de dam die hier is gepland. Als het aan Empereur ligt, blijft het meeste materiaal op de zeebodem en wordt het gebied oostelijk van het oude Pharos ingericht als een archeologisch onderwaterpark, waar de vondsten kunnen worden bezichtigd in de positie waarin ze eeuwenlang hebben gelegen. Probleem is echter dat het afvoerwater van een riolering het zicht onder water nogal beperkt. Als hieraan iets kan worden gedaan - momenteel wordt geëxperimenteerd met een bepaalde plantensoort - en als de Egyptische oudheidkundige dienst de overheid kan overhalen de culturele belangen te laten prevaleren boven de economische, zou in Alexandrië een archeologisch park zonder weerga kunnen verrijzen.

Jean-Yves Empereur heeft verslag gedaan van zijn onderzoekingen in 'Egyptian Archaeology. The Bulletin of the Egyptian Exploration Society' 1996, no. 8 en 9.