Zorg overheerst bij Indonesische katholieken

ROTTERDAM, 15 FEBR. 'Zorg en hoop' luidt de titel van het herderlijk schrijven dat de voorzitter en de secretaris-generaal van de Indonesische Bisschoppenconferentie eerder deze week naar hun kudde stuurden ter gelegenheid van de katholieke vasten. Veel hoop spreekt er niet uit de tekst, zorg des temeer.

Toch heeft deze vastenbrief de gelovigen wel degelijk een hart onder de riem gestoken, al was het maar door de vrijmoedige manier waarop kardinaal Julius Darmaatmadja, de aartsbisschop van Jakarta, en zijn collega-prelaat mgr. Situmorang de dingen in het hedendaagse Indonesië bij hun naam noemen. De landelijke pers heeft er, kennelijk uit vrees voor repercussies, zeer terughoudend uit geciteerd, maar fotokopieën van de brief worden op grote schaal verspreid, ook onder niet-katholieken.

De bisschoppen vallen, op de pastorale groet na, met de deur in huis: “Broeders en zusters, we beleven moeilijke en verontrustende tijden. Onze samenleving wordt opgeschrikt door schokkende gebeurtenissen.” Allereerst roepen zij de 'ramp' in herinnering die vorig jaar zomer de semi-oppositionele Democratische Partij van Indonesië (PDI) overkwam toen de populaire voorzitter, mevrouw Megawati Soekarnoputri, na aantoonbare tussenkomst van regering en strijdkrachten werd gewipt op een geënsceneerd congres. De PDI is het produkt van een gedwongen fusie in de jaren zeventig waarbij ook de Katholieke Partij was betrokken en met name in oostelijk Indonesië stemmen vanouds veel katholieken PDI. De briefschrijvers gaan ook in op de recente reeks brandstichtingen in katholieke en protestantse kerken, onder meer in de Javaanse steden Surabaya en Situbondo, en op de jongste rellen in Jakarta, West-Java en Kalimantan, waarbij arme islamieten hun woede koelden op Chinese winkels, christelijke gebedshuizen en kerkgangers.

De bisschoppen schrijven deze uitbarstingen toe aan de groeiende onvrede onder de bevolking met de politieke en economische gang van zaken in het land. Zij bespeuren op alle terreinen van het openbare leven een 'moreel verval' in de vorm van “corruptie, vriendsjespolitiek, misbruik van machtsposities voor eigen gewin en dat van familieleden en kliekgenoten”. Namen worden niet genoemd, maar iedereen weet dat de broers, neven, kinderen en kleinkinderen van president Soeharto al jaren rijkelijk worden bedeeld met lucratieve overheidsopdrachten, vergunningen en concessies. Dat voorbeeld indachtig spelen ministers en hoge ambtenaren regelmatig de bal toe aan hun verwanten. Deze tendenzen zouden ten koste gaan van het grote publiek: “De wet wordt niet consequent gehandhaafd en nageleefd, de menselijke waardigheid wordt niet gerespecteerd, je recht halen is alleen weggelegd voor de rijken en machtigen, er wordt met regelmaat gediscrimineerd tegen bepaalde bevolkingsgroepen, gewone mensen worden behandeld als bedienden en door ambtsdragers nauwelijks bediend.”

De katholieke geloofsgemeenschap geniet weliswaar vrijheid van godsdienst, maar “er worden jammer genoeg steeds vaker uitzonderingen gemaakt op deze regel”. Gezien de a-politieke opstelling van de katholieke kerk gedurende de laatste tientallen jaren is het opmerkelijk hoeveel belang de prelaten zeggen te hechten aan de politiek als “middel om het algemene welzijn te bevorderen en het volk te dienen”. De bisschoppen roepen vooral jonge katholieken op om zich niet afzijdig te houden, want in de politiek “is meer dan ooit behoefte aan mensen met waarachtige idealen”. Dit is kennelijk hun antwoord op de jongste tendens binnen de neocorporatistische staatspartij Golkar om zich te profileren als behoeder van de islam, een godsdienst die volgens de statistieken door 87 procent van de Indonesiërs wordt aangehangen.

Aan het slot van hun vastenbrief geven de bisschoppen zowaar een moreel stemadvies voor de parlementsverkiezingen van 29 mei. “Als u zich in alle oprechtheid niet vertegenwoordigd voelt door de partijen die mogen meedoen en u in geweten betwijfelt of uw soevereiniteit op deze manier tot uitdrukking komt, begaat u geen zonde als u uw stem niet uitbrengt.” Kennelijk trekken de briefschrijvers zelf in twijfel of er in mei wel iets te kiezen valt.