Tuinen op de tocht; Levende-plantencollecties verkeren in financiële malaise

Terwijl de biologie zich vroeger vooral richtte op de buitenkant van levende organismen, gaat de aandacht nu meer uit naar moleculaire biologie en genetica. Van die verandering worden de botanische tuinen de dupe.

TUSSEN DE hoog opgeschoten coniferen in Pinetum Blijdenstein te Hilversum vallen ze praktisch in het niet: zeven exemplaren van de Abies nebrodensis, nog onvolgroeide sparretjes, die als kerstboom nauwelijks bruikbaar zouden zijn. Maar ze behoren wel tot de laatste van hun soort. In de vrije natuur worden er nog maar zestien geteld, verspreid over Sicilië, waar hovenier N. Schellevis zijn boompjes vijf jaar geleden als kiemplant vandaan haalde.

Een pinetum is een levende verzameling vertegenwoordigers van de plantengroep der gymnospermen (naaktzadigen) en dat zijn hoofdzakelijk coniferen ofwel kegeldragende naaldbomen. Van de zevenhonderd soorten die op de aarde voorkomen, heeft Blijdenstein er 630 binnen zijn muren, een indrukwekkende collectie, die echter zeer moeilijke tijden doormaakt. Twee van de drie financiers, de Universiteit van Amsterdam en de gemeente Amsterdam, staan op het punt zich terug te trekken, terwijl nummer drie, de gemeente Hilversum, onder financiële curatele staat. Sombere vooruitzichten dus en datzelfde geldt voor andere botanische tuinen, onder meer de Hortus Botanicus in de hoofdstad en een vrij onbekende lusthof in Kerkrade, ooit gesticht door de Staatsmijnen.

Nederland telt zestien tuinen, ondergebracht bij universiteiten en gemeentelijke en particuliere instellingen, die samen de nationale plantencollectievormen. De collectie bestaat uit ruw geschat 25.000 voornamelijk uitheemse soorten, afkomstig uit alle windstreken: circa tien procent van de mondiale verscheidenheid aan hogere planten. Er zijn talrijke curiosa bij. Zo bezit de Amsterdamse hortus een cycaspalm, de Encephalartos altensteinii, die ruim 450 jaar oud is en omstreeks 1650 door een schip van de VOC naar Nederland werd gebracht. In de orangerie van kasteel Twickel in Delden zijn een paar driehonderdjarige sinaasappelboompjes te zien. Burgers' Zoo te Arnhem heeft een in Europa unieke mangrove-vegetatie, in de tuin van de Technische Universiteit Delft groeien en bloeien kapok, sago, vanille en kokoslaurier en in Utrecht staat de oudste Ginkgoboom buiten Azië, geplant in 1725.

Om al die afzonderlijke collecties ongeschonden door de tijd te loodsen en beter op elkaar af te stemmen, werd in 1989 de Stichting Nederlandse Plantentuinen opgericht, maar de directeur daarvan, dr. K. Bonsen, is al even somber gestemd als Schellevis in Hilversum. Dat komt enerzijds door acute geldproblemen waarmee de stichting worstelt en anderzijds door een algehele malaise waaraan de botanische tuinen onderhevig zijn. Tot hun voornaamste gebruiksfuncties behoort die van wetenschappelijk onderwijs en onderzoek, maar daar is de laatste jaren de klad in gekomen door bezuinigingen en een zekere omwenteling in de universitaire belangstelling.

EENMANSPOST

In de woorden van Bonsen: “Vroeger hield de biologie zich bezig met vorm en bouw van zowel dierlijke als plantaardige organismen, zeg maar de buitenkant, nu is de aandacht primair gericht op moleculaire biologie en genetica. Met andere woorden: studenten duiken de cel in zonder dier of plant nog van buiten te bekijken en dat heeft een verschuiving van de universitaire budgetten teweeggebracht ten koste van de botanische tuinen. Zie bijvoorbeeld Groningen, Nijmegen en ook de VU in Amsterdam, waar de tuinen zijn verkleind of geprivatiseerd.”

Daar komt bij dat ook het voortbestaan van de coördinerende stichting op het spel staat. Bonsen mag dan de titel directeur dragen, hij bemant (in een kantoortje op het Utrechtse universiteitscomplex De Uithof) een eenmanspost sinds zijn enige medewerker in juli 1996 werd ontslagen. De eerste jaren draaiden ze op een startsubsidie van drie ministeries (toen nog WVC, Onderwijs en Wetenschappen en Landbouw) en vervolgens trad de Gasunie als sponsor op, maar daar kwam in december vorig jaar een eind aan. Een nieuwe geldschieter uit het bedrijfsleven is niet te vinden, zegt Bonsen. Dankzij een overbruggingskrediet van de Utrechtse universiteit kan hij het nog een half jaar uitzingen, maar dan dreigt ook zijn functie onverbiddelijk te vervallen.

Het wachten is nu op een verlossend woord van minister Ritzen (Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen), al heeft Bonsen daar weinig fiducie in. De bewindsman heeft weliswaar een 'plan van aanpak' voor de biologische collecties aangekondigd, op te stellen door de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, maar bij de voorbereiding daarvan noemde hij slechts de drie grote herbaria die Nederland telt, die van Utrecht, Leiden en Wageningen, stuk voor stuk gelieerd aan een universiteit. Bonsen: “Dat heeft me zeer argwanend gemaakt. De gedroogde, dus dode planten krijgen kennelijk voorrang boven het levende materiaal, zoals dat in de loop der eeuwen in de botanische tuinen is verzameld. De tuinen dreigen zelfs in het geheel niet aan bod te komen.”

Met het oog op de behandeling van het wetenschapsbudget in de Tweede Kamer, 25 november vorig jaar, heeft Bonsen bij de vier grootste fracties nog ijverig ten gunste van de nationale plantenverzameling gelobbyd. “En er zijn van die kant ook kritische vragen aan de minister gesteld”, is zijn dankbaar commentaar. Maar over het antwoord van Ritzen is hij minder tevreden: “Ook in de Kamer noemde hij alleen de herbaria, alsof de botanische tuinen voor hem niet bestaan.”

Bij dat alles rijst wel de vraag of het gedecentraliseerde karakter van de nationale plantencollectie, verspreid als ze is over zestien horti tot aan Groningen en Kerkrade, geen geldverslindende factor vormt. Landen als Groot-Brittannië en België kennen één mammoet-tuin en dat moet stukken goedkoper zijn.

NATIONALE TUIN

Bonsen: “Ja, ook in Nederland is wel eens overwogen alle collecties op één punt samen te brengen, dus om er een geweldige nationale tuin van te maken, maar dat stuitte op praktische bezwaren. Vooral bomen zijn bijzonder moeilijk te verplaatsen en als het al mogelijk is, zijn er enorme kosten mee gemoeid. En vergeet niet dat zo'n botanische tuin voor de betrokken gemeente vaak ook een cultuurgoed is. Neem de befaamde hortus in Leiden. Die bevindt zich al vierhonderd jaar op dezelfde plek en is er niet meer weg te denken.”

Dat de jonge onderzoeker in de gedaante van biologisch student zo'n tuin binnen handbereik heeft, telt tegenwoordig minder dan vroeger. Niet alleen kreeg de moleculaire richting, genetica en dergelijke meer gewicht ten koste van de klassieke plantkunde, ook trekt een student tegenwoordiger makkelijker naar het buitenland, zelfs de tropen, om plant en dier in hun natuurlijke omgeving te aanschouwen.

Daar staat weer tegenover dat de botanische tuinen naast een wetenschappelijk ook een publieksfunctie vervullen. In Pinetum Blijdenstein voert beheerder Schellevis behalve de verslaggever ook een jong echtpaar in zijn kielzog ter bezichtiging van onder meer de Abies nebrodensis. Ze behoren tot de ongeveer tienduizend amateurs en andere belangstellenden die jaarlijks het Hilversumse 'coniferenmuseum' bezoeken. Elders noteert men nog aanmerkelijk hogere cijfers. “En ook daarom”, vindt Bonsen, “mogen die tuinen niet verloren gaan.”

    • F.G. de Ruiter