TON LENSINK (1922-1997); Oprecht bescheiden

De afgelopen donderdag in een Amsterdams ziekenhuis overleden acteur Ton Lensink (74) vond zichzelf geen grootse vertegenwoordiger van zijn vak. Het waren “van God gegeven dingen” die hij volgens eigen zeggen etaleerde. En dan noemde hij zijn stem - van diep brons -, zijn handen, zijn 'onhandige' manier van bewegen.

Dat alles bij elkaar had wel een soort élégance, oordeelde hijzelf. Hij vergat zijn lankmoedige, lichtgevende blauwe oogopslag en een innemende, schuchtere jongensachtigheid, die hem zowel op het toneel als daarbuiten van pas kwam. Het was dezelfde oprechte bescheidenheid waarmee hij vaststelde dat “mijn populariteit (...) meer gebaseerd (is) op een vrij lang durend modeverschijnsel.”

Dat was in 1973, op het hoogtepunt van zijn bekendheid door Ti Ta Tovenaar, de NOS-televisieserie waarvan hele legers nu volwassen kinderen het titelliedje konden meezingen. Dat Lensink, ondanks zijn medewerking als acteur en regisseur aan ontelbare andere series, dramaprodukties en films, nog steeds in eerste instantie met die ene rol geassocieerd wordt, zal hem niet gedeerd hebben. Hij was laconiek, over zichzelf en over zijn vak, dat hij 'één van de gringste vormen van kunst' noemde. Hij had een afkeer van collega's die dachten zich nukken te kunnen permitteren vanwege de prestaties die zij moesten leveren: die waren in zijn ogen maar klein in vergelijking met de organisatie van het geheel.

Lensink werd op 22 oktober 1922 geboren in Batavia, in een “kleinburgerlijk, katholiek milieu waar dood en erfzonde” de sfeer bepaalden. Gaan acteren lag allerminst voor de hand. Na de HBS belandde hij bij het katholieke dagblad De Tijd, als corrector. Vlak voordat hij daar, in 1944, de begeerde aanstelling tot redacteur van de kunstbijlage kreeg, deed hij toelatingsexamen op de toneelschool in Amsterdam. Daar, zo had hij het idee, “leerde je je bewegen, los zijn, vrijen en uit de band springen”. Hij debuteerde bij het Nederlands Volkstoneel, maar stapte al snel over naar het televisiewerk.

Televisie noemde hij “een verademing, een openbaring”. Hij kon er “zich inhouden” in plaats van het grote gebaar voor het voetlicht te moeten zien krijgen. Voor de camera kon hij van zijn 'ondeugden een kwaliteit' maken. Behalve door Ti Ta Tovenaar verwierf Lensink bekendheid met zijn optredens in Herenleed, Lijmen/Het Been van Elsschot, De Schuldeiser, De Kleine Waarheid en Op weg naar Peruwelz. In 1958 kreeg hij de tv-prijs van het Prins Bernhardfonds voor zijn regie van Euridice. Hij speelde ook in films als Wat zien ik, Naakt over de schutting en Dokter Pulver zaait papavers. Recent was hij nog te zien in een door Theo van Gogh geregisseerde aflevering van de serie Galerij, waarin hij, roerend en zonder schaamte, samen met Yoka Beretti liefdesscènes van twee oudere mensen speelde.

Ondanks zijn voorliefde voor de televisie is Lensink nog vaak in de theaters te zien geweest, onder meer bij het Rotterdams Toneel en Toneelgroep Theater Arnhem. Hij speelde rollen in Spooksonate van Strindberg, Luitenant Tenant van Fripari, Romeo en Juliette van Anouilh, Het Eerste Kwartier van Guillaume van der Graft en U spreekt met uw moordenaar.

In 1977 vertrok Lensink naar de Italiaanse Rivièra, waar hij van de opbrengst van een grote collectie miniatuur stoommachientjes een huis kocht. Hij schilderde en schreef er. Incidenteel werkte hij nog voor radio- en televisie. Hij leende verder zijn stem aan hoorspelen, documentaires en commercials. Hij was een van de eerste, om die reden in de jaren zeventig nog gewraakte acteurs die voor reclamewerk niet hun neus ophaalden.

    • Pieter Kottman