The demonstrator

NOG HEEL EVEN dat zolderluik. Een lezer wees op het boek '2000 jaar beweegbare bruggen' van De Jong en Muyen, dat melding maakt van valbruggen over slotgrachten en dergelijke die met dezelfde problemen kampten als zolderluiken. Er zijn heel ingenieuze oplossingen bedacht. Lezers die gepikeerd waren over de sneer in de richting van computergebruik moeten zich dat niet zo persoonlijk aantrekken.

Ze zien toch zelf ook wel dat het de verkeerde kant opgaat? Die weeë emails, dat imponeergedrag met de laptop in de trein. Nu wil de minister van het zakenleven ook al de basisscholier met de kop in de monitor. En maar internetten! Hoe meer informatie bereikbaar is, hoe meer de kinderen leren, denkt hij.

Maar er zijn heel veel soorten leren. Sla er de naslagwerken eens op na en zie de deskundigen tobben met de definities en afbakeningen. Er is gewenning, er is trial-and-error, conditionering en probleemoplossend leren. Veel overdracht van kennis vindt plaats tussen ouders en kinderen en veel tussen kinderen onderling.

Bij dieren die niet aan broedzorg doen en die niet of nauwelijks sociaal leven, valt dat laatste grotendeels weg. Toch blijken meer dieren van elkaar te leren dan lange tijd werd aangenomen. Science (24 april 1992) bracht een aandoenlijk artikel over twee inktvissen die in tegen elkaar geschoven aquaria naar elkaar mochten kijken. De een (de demonstrator) kreeg een zware training volgens het principe belonen of straffen die hem leerde een wit balletje te vermijden (op straffe van een stroomstoot) en een rood balletje juist te grijpen omdat er een - onzichtbaar - stukje vis aan zat. Een demonstratie van de geconditioneerde octopus wekte grote belangstelling bij de observer in het andere aquarium die al die tijd met rust was gelaten. Toen daar de rode en witte balletjes naar beneden gingen werden bijna uitsluitend rode balletjes gegrepen. Observational learning heet dat. Omdat het tussen dieren van dezelfde soort gebeurt zou je het ook 'conspecifiek afkijken' kunnen noemen.

Vandaag behandelen wij het interspecifiek afkijken, dat nog geen vermelding kreeg in de naslagwerken. Er kwam een brief van een lezer die had opgemerkt wat intussen bijna elke Nederlander gezien moet hebben: dat tegenwoordig niet alleen de kool- en pimpelmezen aan pindaslingers hangen maar ook mussen en spreeuwen. Hier en daar kregen zelfs Vlaamse gaaien het pindapellen onder de knie en onthutste tuinbezitters zien soms waterhoentjes en fazanten richting nootjes duiken.

Twintig jaar geleden zaten de mussen nog bête onder de slingers met mezen. Ze namen genoegen met de regen van doppendébris waartussen af en toe wat eetbaars zat. Merels zitten nog steeds in dit stadium. Inmiddels beheersen de mussen zelf het hangend hakken. Hoe wijd de nieuwe vaardigheid inmiddels is verspreid, viel gisteren niet te achterhalen, want het lijkt erop dat het proces geen wetenschappelijke aandacht heeft gekregen. Was er één mus die het opeens kon en van wie de rest het afkeek? Of brak het inzicht op verschillende plaatsen tegelijk door? Gaat de overdracht van ouder naar jong of tussen leeftijdgenootjes onderling?

Toen eind jaren veertig enkele Britse koolmezen doorkregen dat ze de aluminium doppen van melkflessen moesten kapotpikken om bij het drijvende melkvet te komen, is de verspreiding van dit inzicht goed gevolgd. Hoewel Rupert Sheldrake meent dat het onderzoek aantoonde dat de vaardigheid op tal van plaatsen tegelijk ontstond, is men algemeen van oordeel dat er maar één centrum van verspreiding was. Dat het zo snel ging, komt doordat mezen mobieler zijn dan Sheldrake leuk vindt. Eind jaren zeventig werden er in Amsterdam foto's gemaakt van duivennesten die uitsluitend uit plastic patatvorkjes waren samengesteld. Binnen een paar jaar verschenen er foto's van plastic nesten verderop in Nederland.

Interessant genoeg is komen vast te staan dat koolmezen veel minder vanzelfsprekend op pinda's afkomen dan je vandaag de dag zou denken. Tijdens de Tweede Wereldoorlog kwam de aanvoer van pinda's naar Engeland en omgeving stil te liggen en na de oorlog bleken de koolmezen de waarde van de nootjes en/of de kunst van het pinda-eten te zijn vergeten. Het heeft weer jaren geduurd voor ze de kunst beheersten. Dat ook bij deze nieuwe start eerst de mezen en pas decennia later de mussen aan de slingers hingen, toont min of meer aan dat er is afgekeken.

Het valt niet mee andere voorbeelden van interspecifiek afkijken te geven. Plastic huisvuilzakken worden door zilvermeeuwen, zwarte kraaien èn kauwen opengemaakt. Verschillende soorten grondbroeders blijken het platte dak ontdekt te hebben als plaatsen waar ze veilig zijn voor roofzoogdieren. Onduidelijk is of ze soort voor soort zelf het wiel uitvonden of door elkaar op een idee werden gebracht. De aantrekkelijkheid van nestkastjes is door de meeste vogelsoorten zelfstandig ontdekt, menen geraadpleegde biologen.

Er valt nog veel te inventariseren en te analyseren. Van welk soort wordt het makkelijkst iets overgenomen? Nu al staat vast dat de mens regelmatig als een nuttige demonstrator wordt gezien, huisdieren leren veel van mensen zonder dat er enige dressuur aan te pas komt. Het sterkste voorbeeld is waarschijnlijk dat van die katten die leren deuren en ijskasten te openen. Als de herinnering niet bedriegt zijn er ook papegaaien die leerden zelf hun kooi open te maken. Zeker is dat apen veel van mensen afkijken, hoewel door de grote belangstelling voor in het wild levende apen tegelijk is komen vast te staan dat apen al heel veel zelf konden. Dat ze stokken gebruiken om er roofdieren mee te lijf te gaan, kwam destijds als een grote verrassing. Gezien de ontwikkelingen rond de pindaslinger kan niet langer worden uitgesloten dat ze het lang geleden van de mens hebben geleerd.