SUÏCIDE (3)

Het viel te verwachten dat, vooruitlopend op het eeuwfeest van de verschijning van Durkheims 'Suïcide' wel gedenkboeken zouden verschijnen. Maar dat Durkheims 'verklaring' van zelfmoord als verschijnsel nog altijd actueel is zoals Ellie Smolenaars in W&O van 1 febr. schrijft, is toch wel erg bezijden de waarheid.

Durkheims essay, want meer is het niet, is eigenlijk nooit actueel en altijd dubieus geweest. En dat geldt eigenlijk voor zijn hele werk. In haar eerste alinea gaat Smolenaars al in de fout: “Elke samenleving heeft haar eigen temperament en haar eigen daarbij horende zelfmoordgehalte”, zou Durkheim hebben gezegd. Daar geloof ik niets van. Zo'n antropomorfisme kreeg zelfs Durkheim niet uit zijn pen en het staat haaks op de rest van het artikel waarin samenlevingen (Durkheim had het over maatschappijen) zoiets als een 'zelfmoordgehalte' (wat dat ook mag zijn) wordt toegedicht. Durkheim wilde soorten zelfmoord onderscheiden en die soorten relateren aan wat hij maatschappijen noemde (maar hij bedoelde nationale staten). Daar komt zijn bepaald niet populaire 'zelfmoordtypologie' vandaan (die geen typologie in de echte betekenis van het woord is omdat ze geen 'organiserend beginsel' heeft: hij kan er niet mee zeggen dat bij dit soort 'maatschappij' een bepaald soort zelfmoord hoort en waaraan dat ligt). Maar goed, Durkheim noemt wel een aantal 'soorten' zelfmoord. Egoïstisch, altruïstisch, anomisch en fatalistisch. Maar het curieuze is dat je die soorten best allemaal fatalistisch kunt noemen. Een goed voorbeeld is de zelfmoord van zijn studievriend Hommay die Smolenaars ook noemt. Afgaande op het materiaal van Durheims biograaf Steven Lukes zou je Hommay's zelfmoord anders dan egoïstisch ook altruïstisch kunnen noemen, want de goede man dacht dat hij zijn les niet goed had voorbereid en zijn leerlingen niet kon afschepen met ondoordachtheden. Maar ook anomisch omdat Hommay heel goed gedacht kan hebben dat hij in de provincieplaats waar hij leraar was geworden 'onechte paarlen voor echte zwijnen' moest werpen. Of fatalistisch omdat Hommay begiftigd was met nogal wat ambitie en hij dacht nooit een prominent hoogleraar te worden in een provincieplaats waar hij het zonder eminente gesprekspartners moest stellen. Trouwens, hetzelfde geldt voor de door Smolenaars in commissie aangevoerde Marilyn Monroe, Judy Garland en Gogol die zo goed het onderscheidende vermogen van Durkheims soorten zelfmoord zouden kunnen onderscheiden. Waarom uitgerekend Jack Gibbs (die niet 'buiten dienst' is maar met emeritaat) een standje krijgt, omdat hij hierop gewezen heeft (en op de merkwaardige eigenschap van sociologen zich te beroepen op dubieuze 'founding fathers' in plaats van eigen creatief onderzoek te doen), is mij een raadsel. Als Ad Kerkhof zegt dat Gibbs “hoog van de toren blaast” heeft hij geen verstand van theorie en methodologie van het sociaal-wetenschappelijk onderzoek. En als hij met Anton Kunst, maar ook net als Jan Neeleman vindt dat Durkheim gewezen heeft op de 'beschermingsfactor' van godsdienst tegen zelfmoord, lijkt het alsof hij Durkheim nog nooit gelezen heeft over godsdienst. Voor Durkheim moest godsdienst juist afgeschaft worden en zijn werk is een oprechte poging een 'nomische' maatschappij zonder godsdienst in te richten: een maatschappij die 'zin' had zonder die zin in de godsdienst te zoeken. Maar maatschappijen hebben evenmin als het leven 'zin'. 'Zinzoekers' stichten alleen maar verwarring omdat mensen die zonder hun verstand te gebruiken op zoek gaan naar 'zin' waarschijnlijk alleen maar bij 'onzin' uitkomen. Het zou mij niet verbazen dat 'balanszelfmoorden' of 'quasi-zelfmoorden' (bijvoorbeeld door een uiterst riskante leefwijze) het resultaat zijn van aansporingen van slordige denkers om te zoeken naar iets dat niet bestaat. Een aardige hypothese?