Schuiven met middeleeuwen

Madoc, tijdschrift over de Middeleeuwen. Jaargang tien, nummer 4. Uitgeverij Verloren. Verschijnt vier maal per jaar. Abonnement ƒ 40,-, losse nummers ƒ 12,-, themanummers ƒ 15,-. Inlichtingen 035-685.9856.

ALSOF ER VÓÓR Gutenberg geen boeken waren! Deze verzuchting van de Leidse hoogleraar handschriftkunde J.P. Gumbert is typerend voor de sfeer van het themanummer Losse eindjes van een tijdperk dat Madoc, tijdschrift over de Middeleeuwen vorige maand ter gelegenheid van het tienjarig bestaan uitbracht.

In vrijwel alle artikelen wordt de traditionele - maar nog altijd springlevende - indeling van de geschiedenis in Oudheid, Middeleeuwen en Nieuwe Tijd aangevallen. De jaren 500 en 1500 vormden geen breuklijnen. De middeleeuwen, die bestaan niet, aldus de paradoxale boodschap van het mediëvistentijdschrift. Madoc werd in 1987 in Utrecht opgericht door enthousiaste studenten Mediëvistiek, als blad van hun vereniging Firapeel. Inmiddels richt het tijdschrift zich - aanzienlijk fraaier uitgegeven - op een veel breder middeleeuwen-gevoelig publiek.

Als ferme grenspalen van de middeleeuwen gelden sinds jaar en dag - naast de val van het West-Romeinse rijk in 476 - de uitvinding van de boekdrukkunst (ca.1450), de ontdekking van Amerika (1492) en ook de Renaissance (vanaf de 15e eeuw) en de Reformatie (vanaf 1517). Geen gekke scheidslijnen, zo lijkt het. Maar wie kijkt naar meer structurele processen in maatschappij en mentaliteit vindt al snel heel andere grenzen. Neem het gebruik van het schrift en de rol van geschreven informatie. Dan is het veel logischer om de grens tussen oudheid en middeleeuwen zo ongeveer bij het jaar 1100 te leggen, betoogt de Nijmeegse hoogleraar Middeleeuwse geschiedenis P. Raedts in het openingsartikel van Madoc: “De zegetocht van het schrift als belangrijkste cultureel overdrachtsmedium begon in de elfde eeuw”, en daaraan is sindsdien niet veel meer veranderd. De orale cultuur van de vroege middeleeuwen lijkt veel meer op die van de Oudheid. Ook economisch gezien is de breuk halverwege de middeleeuwen veel groter dan die rond 500 of 1500, aldus Raedts. De stedelijke handels- en nijverheidscultuur die in de elfde eeuw ontstond, bleef de economie domineren tot in de 19e eeuw.

Raedts' belangrijkste argument tegen een periode-grens rond 1500 is de rationalisering van het leven vanaf de 11e eeuw. Sindsdien kregen bijvoorbeeld vorsten serieuze bestuurlijke apparaten en: “Er stond een generatie op die ervan overtuigd was dat de mens zijn eigen lot in handen kon nemen en dat (...) het door redelijk denken mogelijk moest zijn de werkelijkheid te doorgronden en problemen op te lossen.” Of zoals de twaalfde-eeuwse kloosterstichter, machtspoliticus en mysticus Bernardus van Clairvaux het omschreef: 'paratus de omnibus reddere rationem, etiam quae sunt super rationem' (bereid zijn om voor alles een reden te zoeken, zelfs voor de dingen die de rede te boven gaan). De ontwikkelingen in de zestiende eeuw en later liggen in het verlengde daarvan.

De grenzen mogen vervagen, maar de middeleeuwen zijn intussen wèl voorgoed voorbij. Want Raedts laat de middeleeuwen niet alleen later beginnen, hij stelt ook een nieuw einde voor. Het Medium Aevum, ooit bedacht in de Renaissance, kan het beste een paar eeuwen worden opgeschoven: met een einde rond 1800. Dan pas, met de Franse en de Industriële Revolutie, begint de Nieuwe Tijd. Deze nieuwe periodisering maakt volgens Raedts “direct duidelijk dat de huidige samenleving haar directe wortels niet heeft in de zestiende eeuw, ook niet in de twaalfde zoals sommige ijverige mediëvisten graag beweren, maar in de negentiende eeuw, toen de industriële samenleving zich ontwikkelde, de massacultuur opkwam en de nationale staten gevormd werden.” Het 'middeleeuwse' Ancien Régime dat voor die tijd bestond en geworteld was in de elfde en twaalfde eeuw, is een nu lang vervlogen wereld.

De andere artikelen in Madoc onderbouwen het meer geschiedtheoretische openingsstuk. J.P. Gumbert relativeert de culturele breuk die ontstaan zou zijn door de uitvinding van de boekdrukkunst: “Wat Gutenberg uitvond was niet een nieuw soort ding maar een nieuwe techniek om het zelfde ding te maken.” Een duidelijk onderscheid tussen handschrift en gedrukt boek ontstond pas aan het einde van de zestiende eeuw. Het grootste effect van de nieuwe uitvinding was economisch. Een drukpers vergde veel meer investeringen dan pen en papier en de productie was veel groter. Maar het boek zelf bleef grotendeels hetzelfde. De opbouw in katernen, de bladspiegel, de voetnoten, de inhoudsopgave: allemaal middeleeuws. Van moderne boeken zou een middeleeuwer alleen de titelpagina opvallen als echt iets nieuws.

Ook het moderne recht is middeleeuws, betoogt de Amsterdamse rechtshistoricus C.M. Cappon in zijn artikel 'de actualiteit van een middeleeuwse prestatie'. Het gaat daarbij niet om deze of gene rechtsregel en detail, maar om het fundament zelf van de rechtsstaat. De juridificatie van het publieke leven is een middeleeuwse erfenis, aldus Cappon. Het gaat daarbij om de combinatie van de uit het Romeinse recht afkomstige gedachte dat niet de mens maar het recht dient te heersen en de feodale, Karolingische gedachte dat er een soort contractuele relatie bestaat tussen de heerser en zijn onderdanen, met wederzijdse rechten en plichten. “Door dit legalisme onderscheidt de westerse cultuur zich van alle andere”, schrijft Cappon. Het Romeinse recht werd vanaf de twaalfde eeuw door de middeleeuwse juristen ontwikkeld en gesystematiseerd, veel verder dan ooit door de Romeinen zelf was gedaan. En nog altijd is de juridische wetenschap een typisch middeleeuwse scholastieke bezigheid: een dogmatische wetenschap waarin het afwegen van gezaghebbende uitspraken en teksten centraal staat.

    • Hendrik Spiering