Ordelijk en discreet

EERST EVEN de lopende zaken afhandelen. Rammel, zoals hier in de afgelopen weken gebeurde, aan de indeling van harde schijven, en er komt van alles los. Lezers melden het bestaan van een heel scala aan handige hulpjes die naar hun zeggen wel kunnen wat met FDISK niet kan: een harde schijf naar eigen inzicht indelen in partities, zeg maar stations, zonder dat de inhoud van de schijf verloren gaat.

Te koop is bijvoorbeeld Partition Magic van PowerQuest, te geef zijn er de programmaatjes Fips en Presize. Zelfs Microsoft zelf blijkt alweer sinds afgelopen herfst een stuk gereedschap in de aanbieding te hebben, een speciaal ontworpen toevoeging aan Windows '95 OEM Release 2. Het heet FAT32. Gigantische partities met clusters van maar 4KB zijn mogelijk, maar FAT32 partities werken niet met gewone DOS (en evenmin met OS/2), en er kan gedonder ontstaan met programma's die ontworpen zijn met de normale schijfindelingen voor ogen. Dat zal wel de reden zijn dat Microsoft FAT32 niet standaard bijlevert. Maar het verklaart toch niet waarom Microsoft Nederland op de vraag of je schijven nog altijd alleen maar met het ouderwetse FDISK kon partitioneren, volmondig 'ja' zei - en verder zweeg. Afijn, voor de knutselaar blijkt er in elk geval keus genoeg. Als u maar voorzichtig bent.

Je zou bij alle heersende hype, chaos en verwarring bijna vergeten dat alles bij computers juist draait om ordening. Want dat is wat het woord computer eigenlijk betekent: ordenaar, eerder dan rekenaar. Computers schikken en herschikken patronen, rekenen is daar maar één uitingsvorm van. De Fransen hebben dat blijkens hun vertaling 'ordinateur' goed begrepen. De Duitsers met hun 'Rechner', niet. Dat schikken gebeurt bij alle bestaande computers op een heel eenvoudig speelbord van vakjes die vol of leeg zijn. Computers zijn binair: ze werken met maar twee toestanden, gewoonlijk weergegeven als 0 en 1. Met 'digitaal' heeft dat net zo weinig te maken als met, pakweg, 'diploma'. De 'di' van 'digitaal' is niet het Griekse voorvoegsel voor twee of dubbel, zoals we dat kennen uit de chemie (dioxine, dimorfisme), en uit woorden als diode, dilemma, diplegie (dubbelzijdige verlamming) en diglossie (tweetaligheid). 'Digitaal' gaat regelrecht terug op het Latijnse 'digitus': vinger. Met vingers kun je aanwijzen: die wel, die niet. Digitaal wil dan ook zeggen: in aanwijsbare, duidelijk onderscheiden en gelijksoortige eenheden. Discrete eenheden, zoals dat heet. De lol van een systeem van discrete eenheden, is dat je er in abstracto veel gemakkelijker en preciezer mee kunt werken dan met een analoog systeem. Je hoeft niet te weten waar digitale eenheden in de echte wereld voor staan. X is X, en gedraagt zich altijd als X, of dat symbool nu voor een locomotief staat, een pond suiker, of een dosis gammastraling. In de keuken zie je beide soorten systemen door elkaar gebruikt worden: ervaren koks kunnen overweg met het analoge systeem, dat werkt met 'een snufje peper', 'wat notemuskaat', 'niet te veel knoflook', en 'flink zout'. Maar wie zal zonder proefondervindelijk ervaring zeggen waar de grens tussen een snufje en 'wat' ligt? Is 'wat zout' evenveel als 'wat saffraan'? En wat is 'niet te veel'? Modieuze heren die voor het eerst op kookcursus gaan, zie je dan ook vooral druk discreet in de weer met maatbekers en weegschalen, centiliters en grammen. In de scheepvaart, waar elke centimeter telt, en het timmermansoog van stuurman en stuwadoor is vervangen door een planner op een ver kantoor, hebben de discrete containers het onvoorspelbare losse stukgoed allang verdrongen: een container is altijd precies hetzelfde van maat. Een 'stuk' kan van alles wezen: een zak meel, een vat olie, of een schilderij.

Uiteraard lenen discrete eenheden zich bijzonder goed voor telwerk, en vooral voor rekenwerk. Je weet immers altijd hoe aantallen zich tot elkaar verhouden. Waar drie stuks stukgoed een armvol kan inhouden, maar even goed een halve scheepslading, zijn drie containers qua omvang altijd even veel. Juist dat besef van constante verhoudingen is wat rekenen onderscheidt van alleen maar tellen: de gedachte dat als twee en twee vier is, tweemaal twee plus tweemaal twee ook tweemaal vier moet zijn. Computers tellen en rekenen, zoals gezegd, binair. Dat wil zeggen, met een getallenstelsel van maar twee cijfers, 0 en 1. De rekenregels daarvan zijn precies dezelfde als die van ons alledaagse tientallig stelsel. Het voornaamste verschil is dat elke volgende kolom niet staat voor eenheden van 10 maal zo groot als die aan zijn rechterkant, maar voor eenheden van tweemaal zo groot. Tientallig 0 en 1 ziet er net zo uit als binair 0 en 1, maar 2 schrijf je binair als 10 (eenmaal 2 en nul maal één), drie als 11 (eenmaal twee en eenmaal één), en 4 als 100 (eenmaal vier, nul maal twee, nul maal één), enzovoort. Dat computers ondanks de gelijkwaardigheid van beide stelsels toch altijd werken met dat voor ons zo onwennige en onoverzichtelijke binaire stelsel, heeft dan ook niet zoveel te maken met tellen en rekenen, maar alles met de logica, waarvan de regels van het rekenen een onderdeel vormen. Computers zijn uitgevonden om voor alles precieze, voorspelbare en controleerbare bewerkingen op patronen uit te voeren. Dat kan alleen maar op basis van een gezond stelsel van logische regels. En daar zit de crux: de enige behoorlijk ontwikkelde logica die we kennen is binair: iets is wel zo of niet zo, daar zit niets tussen. Iets is gelijk aan iets anders of niet. Met 'ja/nee/weet niet', of erger, begrippen als soms, misschien, en ongeveer kan onze logica nog maar weinig beginnen, en computers dus ook niet.

Er is geen reden waarom je niet een analoge computer zou kunnen bouwen. Er zijn ook altijd wel mensen die proberen om zo'n ding uit te vinden. Je zou ook best een apparaat kunnen bouwen dat geschikt is voor een driewaardig stelsel. Bijvoorbeeld één met geheugenplaatsen die positief geladen, negatief geladen, of spanningsloos zijn. Maar veel zin heeft dat niet. Zolang we geen analoge of driewaardige logica hebben, weet toch geen mens hoe je zo'n ding zou kunnen programmeren.