Oeigoeren tarten China in strijd om staat

DEN HAAG, 15 FEBR. In het westen van China liggen twee brandhaarden, Tibet en Xinjiang, die beiden de ambitie hebben onafhankelijke staten te worden. De strijd van de Tibetanen is genoegzaam bekend dankzij het prestige van de Dalai Lama, een regering in ballingschap in India en het activisme van Tibetaanse ballingen in vele delen van de wereld.

De zaak van de Oeigoeren, het dominerende ethnisch-Turkse moslimvolk van Xinjiang is veel minder bekend. Zij hebben geen inheemse nationale leider van de statuur van de Dalai Lama en er is geen opstand op de schaal van die in Tibet in 1959 geweest.

In 1980 en 1990 zijn er niettemin omvangrijke geweldsuitbarstingen geweest in Xinjiang, gevolgd door brute Chinese militaire repressie. Sinds 1991 is er een permanente spiraal van onrust en gewapende onderdrukking en de vrees dat die verder zal escaleren is algemeen. De golf van geweld en onderdrukking van vorige week is waarschijnlijk de ernstigste sinds 1990 geweest. Het was de eerste keer dat zo'n bloedbad zo snel - via de media in Hongkong - tot de buitenwereld doordrong. Voorheen duurde dat weken tot maanden.

Net als de Tibetanen hebben de Oeigoeren organisaties in het buitenland, onder andere in Kazachstan, Turkije en Duitsland, en zij treden in toenemende mate in de openbaarheid. Eloquente woordvoerder van de Oeigoeren in Europa is Erkin Alptekin, voorzitter van de 'Oost-Turkestaanse Unie in Europa'. Turkestan is de verzamelnaam voor alle Centraal-Aziatische ethnisch Turkse gebieden. De traditionele naam voor Xinjiang (Nieuwe Domeinen), voorheen gespeld Sinkiang is 'Chinees Turkestan' of 'Oost-Turkestan', ter onderscheid van West-Turkestan of voormalig 'Sovjet Centraal Azië'.

Alptekin is tevens voorzitter van de Algemene Vergadering van de 'Unrepresented Nations and Peoples Organization' (UNPO). UNPO, zetelend in Den Haag, is een samenwerkingsverband van staatloze naties, meestal minderheden die voor onafhankelijkheid strijden. In het UNPO-kantoor in Den Haag vertelt Alptekin dat hij de strijd voor een onafhankelijk 'Oost-Turkestan' van zijn vader heeft geërfd. Zijn vader, Isa Alptekin, was een prominente leider van de regering van Republikeins Sinkiang onder de Kwomintang. Als zodanig streed hij voor een hoge graad van autonomie en een (con-)federale verhouding tussen Sinkiang en China, maar de nationalistische leider Chiang Kai-shek wilde eerst de oorlog met de communisten winnen voordat hij het probleem zou aanpakken. Twee keer was er al een kortstondige 'Republiek Oost-Turkestan' uitgeroepen, in 1933 door militante moslims en in 1944 met behulp van Stalin. Na Chiang Kai-shek's nederlaag in 1949 moest Alptekin China verlaten en met 1.850 aanhangers, inclusief zijn 12-jarige zoon Erkin, vluchtten zij naar India. Door de Chinees-Indiase vriendschap in de beginjaren van het nieuwe, onafhankelijk Azië moesten zij spoedig ook weg uit India en na mislukte pogingen om politiek asiel in Saoedie-Arabië en Egypte te krijgen, vonden zij uiteindelijk een onderkomen in Turkije, de ethnisch-culturele modelstaat voor Oeigoeren.

Chiang Kai-shek vroeg Alptekin om naar Taiwan te komen om van daaruit leider van een ballingen-regering voor Sinkiang te worden. Maar de Oeigoerse voorman stelde als voorwaarde dat de Kwomintang de onafhankelijkheid van Oost-Turkestan zou erkennen en haar invloed zou aanwenden om de nieuwe staat een zetel in de VN te bezorgen, waaruit de Volksrepubliek China toen geweerd werd en waarin Taiwan als 'Republiek China' - tot 1971 - een van de permanente vijf in de Veiligheidsraad was. Chiang Kai-shek weigerde en Alptekin weigerde naar Taiwan te gaan. Hij is vorig jaar op 95-jarige leeftijd in Istanbul overleden en was tot zijn dood het symbool van de strijd voor een vrij Oost-Turkestan.

Erkin Alptekin studeerde journalistiek en internationale betrekkingen - hij spreekt uitstekend Engels en Duits - en werkte jaren voor Radio Free Europe. In de jaren tachtig heeft hij een nieuwe organisatie opgericht, de 'Alliantie voor een Vrij Oost-Turkestan, (Binnen-)Mongolië en Tibet', waarvan hij voorzitter is. Alptekin benadrukt dat hij tegen geweld is en hij distantieert zich van het 'Revolutionaire Front voor de Bevrijding van Oost-Turkestan' dat in Kazachstan zetelt. De leider van het Front, Yusupbek Mukhlisi, claimde vorige week dat zijn mensen bomaanslagen plegen en Chinese militairen doden. Alptekins streven is 'recht op zelfbeschikking' op basis van de Universele Verklaring over de Rechten van de Mens. Uiteindelijk doel is volledige onafhankelijkheid, maar net als de Dalai Lama is hij bereid om op weg daarheen tactische compromissen te sluiten, zoals aanvaarding van echte autonomie. De Chinezen geven echter geen teken dat zij met hem willen praten. ,Zij weten niet wat vrede is. Zij zien ons niet staan en beschouwen ons als slaven'' zegt Alptekin.

Alptekin geeft een heel andere versie van het recente geweld dan de officiële. Volgens de woordvoerder van de regionale regering begon het als een onafhankelijkheids-demonstratie, die uitliep op het gooien met stenen, het in brand steken van auto's en dergelijke, waarop de politie moest ingrijpen.

Alptekin zegt dat hij dagelijks telefonisch contact met geestverwanten ter plaatse heeft en dat de ware gang van zaken als volgt was. Op de 27e dag van de Ramadan, de Islamitische vastenmaand is het Kadir, Heilige nacht, en 50 tot 60 vrouwen kwamen bijeen om te bidden. De politie kwam inspecteren en dwong de vrouwen om naar hun eigen huizen te gaan. Zij verzetten zich en het draaide uit op schoppen, duwen en slaan. Daarop kwamen Oeigoerse mannen om de vrouwen te helpen. Twee Oeigoeren werden doodgeschoten, waarop anderen een Chinese politieman doodranselden.

De daaropvolgende dagen begonnen de demonstraties pas, waarbij door een van elders aangevlogen 'rapid deployment force' bloedig met de demonstranten werd afgerekend. Alptekin verwerpt het officiële dodencijfer van tien als een leugen. Eergisteren had hij mensen uit Yining aan de telefoon die vertelden dat er die dag alleen al 200 Oeigoeren begraven waren en minstens honderd Chinezen. Bij de vorige grote opstand in Baren bij Kashgar in 1990 was het officiële dodencijfer 22, maar volgens Alptekin kwamen daar 1.000 Oeigoeren en 600 Chinezen om.

Met stemverheffing zegt Alptekin: “Voor elke Oeigoer die door de Chinezen wordt gedood, zullen er tien opstaan en bereid zijn een heldendood te sterven”. Hij doet een beroep op de wereld om de zaak bij de Chinese regering aanhangig te maken en ze vriendelijk te overreden hun brute methodes op te geven. Hij verwijst naar Hongkong, waar de aandacht van de wereld momenteel op gericht is. “Als er escalerende bloeddorstigheid in Xinjiang en Tibet is, wat zou er wel niet in Hongkong kunnen gebeuren”, zo vraagt hij.

Heeft hij echt hoop dat er ooit een onafhankelijk Oost-Turkestan of Oeigoeristan zal komen? Alptekin: “Wij nemen het joodse volk als ons voorbeeld. Het heeft hen 2000 jaar gekost om hun nationale tehuis te herwinnen”. Hij voegt er een trieste Oeigoerse metafoor aan toe. “Wij Oeigoeren dragen ons hoofd al onder onze arm”.