Nederlandse zwemmers staan vastberaden op het blok

Marcel Wouda verbeterde twee keer het wereldrecord op de 400 meter wisselslag. Het Nederlandse mannenzwemmen wint aan kracht. “Geen flauwekul meer, afspraken nakomen en anders wegwezen.”

ROTTERDAM, 15 FEBR. Hij was beduusd door zijn eigen machtsvertoon. Met een blik vol verwondering nam Marcel Wouda kennis van de verbluffende tijd op het scorebord. Pas na enkele seconden drong het besef door waartoe hij, die schuchtere jongen uit Uden, plotseling in staat was gebleken. Een wereldrecord op een van de zwaarste disciplines uit de zwemsport. Hij balde zijn vuist, richtte zich op uit het water en slaakte een vreugdekreet. “Wauuuwww!”

De 25-jarige Wouda verpulverde afgelopen weken record na record. In Gelsenkirchen bracht hij twee weken geleden de mondiale toptijd op de 400 meter wisselslag op 4.05,59. Zeven dagen later in het 25-meter bassin van Parijs verbeterde hij die tijd tot 4.05,41. Tussen de bedrijven door stelde hij het nationale record op de 100 meter wissel en 200 meter vrij scherper. “Het was ogen dicht en knallen maar”, zegt Wouda over de wedstrijden uit het wereld-bekercircuit.

Van faalangst of zenuwen, voorheen vaak spelbreker bij Wouda, was ditmaal geen spoor. De timide Brabander bleek plotseling de vastberadenheid zelve. Naar eigen zeggen een gevolg van zijn ervaringen in Atlanta. Uit tactische overwegingen besloot hij in de finale van de 400 meter wisselslag niet te hard te beginnen. “Achteraf een onvergeeflijke fout. Ik zwom niet mijn eigen race. Dat mag nooit meer gebeuren, heb ik toen tegen mezelf gezegd.”

Wouda tikte uiteindelijk als vijfde aan in het Georgia Aquatic Center. In mentaal opzicht was de olympische race een keerpunt in zijn carrière. Twee maanden terug behaalde hij drie titels bij de Europese kampioenschappen kortebaan in Rostock. “Tegenwoordig sta ik zelfverzekerd op dat blok en ga ik zo hard mogelijk van start. Mocht ik onderweg doodgaan, nou goed, dan moet dat maar. Maar mezelf wegcijferen, doe ik niet langer. Ik weet wat ik kan.”

Met zijn indrukwekkende recordjacht heeft Wouda het nationale mannenzwemmen definitief uit het verdomhoekje gehaald. Bijna vijftig jaar geleden deed een Nederlandse zwemmer voor het laatst van zich spreken in internationaal verband. Bob Bonte vestigde in 1948 een wereldrecord op de 400 meter schoolslag. Waardering bleef evenwel uit voor de zwemmende kapper. Ook in die dagen gold het onderdeel al als een incourant nummer. Nog geen jaar later schrapte de wereldzwembond Bonte's toptijd uit de boeken.

Daarna bleef het lange tijd stil rondom de Nederlandse zwemmers. Cees Vervoorn, Frank Drost, Hans Kroes en Ron Dekker - geen van allen wist de afgelopen decennia uit de schaduw te treden van vrouwelijke collega's als Annemarie Verstappen, Jolanda de Rover en Connie van Bentum. Illustratief voor de malaise waren de Olympische Spelen van 1992. Wouda was de enige man in tienkoppige zwemselectie en voor het eerst sinds München 1972 won Nederland geen enkele medaille.

Na het echec in Barcelona maakte de Koninklijke Nederlandse Zwembond (KNZB) schoon schip. Onder leiding van topsportcoördinator Ad Roskam en de zojuist aangetreden bondscoach René Dekker formuleerde de bond een nieuwe strategie, in nauwe samenwerking met de clubs. Het amateurisme werd aan de kant gezet, semi-professionalisme werd de leidraad. “Dat betekende meer en vooral harder trainen. Van twaalf naar achttien uur per week”, aldus Roskam. “Geen flauwekul meer, afspraken maken én nakomen en anders wegwezen.”

Kernpunt was een strenger selectiebeleid en een strakke, individueel gerichte aanpak onder de hoede van jonge ambitieuze clubtrainers. Voorbij was de tijd dat de zwemtop - mannen en vrouwen - de trainingen gezamenlijk afwerkte en maar wat aanmodderde in het water. In samenspraak met hun clubcoach moesten de zwemmers voortaan een gedegen seizoensplanning opstellen en ter inzage overhandigen op het bondsbureau. Roskam: “Wie niet duidelijk kan maken met topsport bezig te zijn, wordt zonder pardon uit de nationale selectie gezet. Het gaat ons niet om kwantiteit, maar heel duidelijk om kwaliteit. Liever twee toppers dan twintig subtoppers.”

Drie jaar geleden was voor het eerst aanleiding voor optimisme. Het mannenzwemmen kreeg een onverwachte impuls door toedoen van een 17-jarige scholier uit Geldrop, Pieter van den Hoogenband. Onbevangen zwom het Brabantse natuurtalent bij Europese jeugdkampioenschappen in Tsjechië naar het goud op drie afstanden. In Atlanta baarde hij afgelopen zomer opzien met twee vierde plaatsen, op de 100 en 200 meter vrije slag. “Pieter is een XXL-talent. Samen met Marcel heeft hij ervoor gezorgd dat de verwachtingen tot dusverre verre overtroffen zijn”, zegt Roskam.

Bondscoach Dekker schrijft de recente successen toe aan de inspanningen van de clubtrainers. “Vroeger stonden de clubs lijnrecht tegenover de bond en was het wederzijdse wantrouwen groot. Nu sluiten de programma's van de clubs en de nationale selectie perfect op elkaar aan.”

Zwemvereniging PSV vervult een voortrekkersrol. De club uit Eindhoven, een groep van achttien zwemmers onder wie Van den Hoogenband en Wouda, staat sinds september 1994 onder leiding van Jacco Verhaeren. Velen beschouwen de 27-jarige trainer als de architect achter de sportieve opmars. “Hij weet ons optimaal te motiveren. Trainen onder zijn leiding is een genot”, zegt Wouda.

Zelf blijft Verhaeren, momenteel op skivakantie in Oostenrijk, bescheiden onder de complimenten. “Ik weet iets van fysiologie en trainingsleer en de rest gaat op intuïtie”, zei Verhaeren deze maand in het Eindhovens Dagblad. “Het belangrijkste is dat de zwemmers niet het gevoel hebben dat ze aan de ketting liggen.”

Variatie is het sleutelwoord in de benadering van Verhaeren, sinds 1 januari in vaste dienst bij PSV. Anders dan veel van zijn voorgangers legt hij het accent op snelheidstraining. Voor Wouda een verademing nadat hij drie jaar in de Verenigde Staten verbleef. “Daar ligt de nadruk op kwantiteit. Heel veel kilometers maken terwijl Jacco heel bewust kiest voor een balans.”

Helemaal onverwacht komen de successen niet. Fysiologen constateerden jaren geleden al dat Van den Hoogenband (1.91 meter) en Wouda (2.02) de ideale lichaamsbouw hebben voor een zwemmer: lang, rank en slank. “Hoe meer een zwemmer op een paling lijkt, hoe sneller hij gaat”, in de woorden van bewegingswetenschapper Peter Hollander. Die stelling is op het lijf geschreven van Van den Hoogenband en Wouda.