Nazigoud tart Zwitserse waan

De wereld verandert, maar Zwitserland doet hardnekkig zijn best om hetzelfde te blijven. Vergeefse moeite, vindt Paul Luttikhuis.

De Zwitserse minister Jean-Pascal Delamuraz beschuldigde, in zijn functie van president, joodse organisaties anderhalve maand geleden van chantage, omdat ze Zwitserse banken dreigden met een boycot. Het dreigement was ontstaan na beschuldigingen dat Zwitserland in de Tweede Wereldoorlog handel en heulen met de nazi's behoorlijk met elkaar had verward. Waarschijnlijk had Delamuraz nog gelijk ook - zo'n dreigement heeft wel iets van afpersing. Hij voegde er bovendien aan toe dat Auschwitz niet in Zwitserland lag, en ook daar valt geen speld tussen te krijgen.

Toch getuigden zijn opmerkingen van een zelfingenomenheid die typerend is voor Zwitserse reacties op beschuldigingen over zijn oorlogsverleden. Zwitserland lijkt op het jochie dat zijn hoofd stoot en verontwaardigd uitroept dat het de schuld is van de kastdeur.

De eerste keer dat Zwitserland zijn hoofd stootte was in 1995, bij de 50ste herdenking van het einde van de Tweede Wereldoorlog. De minister die dat jaar het (ceremoniële) presidentschap bekleedde, Kaspar Villiger, bood in een officiële rede zijn verontschuldigingen aan tegenover de joden voor het Zwitserse vluchtelingenbeleid.

Het was een mooi gebaar. Maar het werd teniet gedaan door de toevoeging dat van economische collaboratie met de nazi's geen sprake was geweest. Hij had de boeken van Häsler (Das Boot ist voll), Rings (Raubgold aus Deutschland) en Gautschi (Die Schweizerische Armeeführung im Zweiten Weltkrieg) er maar op hoeven na te slaan, om te weten dat hij - eufemistisch gezegd - die uitspraak had moeten nuanceren.

Villiger had er beter het zwijgen toe kunnen doen en als deemoedige geste een compensatiefonds in het leven kunnen roepen voor de nabestaanden van holocaust-slachtoffers. In het licht van enkele venijnige antisemitische trekjes van het Zwitserse beleid tijdens de oorlog, was dat zeker gepast geweest. Joodse organisaties hadden er dan niet eerst om hoeven te smeken en Zwitserland had met zijn gulheid niet de kritiek van de hele wereld over zich afgeroepen.

Dat het niet zover is gekomen, viel te verwachten. Zelfingenomenheid is nog nooit een goede raadgever geweest. Het is de schaduwzijde van het Zwitserse succes, zei zelfs de huidige president Arnold Koller onlangs in een tv-interview: “We worden gehinderd door onze tevredenheid”.

De banken zijn intussen overstag gegaan. Na lang aarzelen en omdat de internationale druk hen te groot werd, schiepen zij een 'humanitair' fonds. De industrie, bevreesd dat de pijlen nu wel eens op haar gericht zouden kunnen worden, doet inmiddels ook mee. De regering heeft zich organisatorisch over het fonds ontfermd, maar weigert er zelf aan deel te nemen, in afwachting van een historische onderzoek door een onafhankelijke commissie. Gek eigenlijk, want toen Zwitserland in de afgelopen maanden vanuit Amerika met allerlei akelige beschuldigingen werd bestookt, was de reactie steeds: dat wisten we al lang.

Op de schouders van Jean-François Bergier, de Zwitsere historicus die de onderzoekscommissie leidt, rust nu het complete Zwitserse oorlogsverleden. Er is hem door de regering opgedragen om toch vooral haast te maken, want voor sommige oorlogsslachtoffers begint de tijd te dringen. Dus zal Bergier in de zomer zijn eerste resultaten bekendmaken. En afhankelijk daarvan bepaalt de Zwitserse Bundesrat of en zo ja, hoeveel geld zij in een compensatiefonds zal storten.

Hoe stelt de regering zich dat eigenlijk voor? Voor iedere jood die aan de grens werd teruggestuurd 1.000 franken? Per kilo goud dat ten onrechte (want gestolen uit banken van bezette landen of gemaakt van sieraden van door de nazi's vermoorde joden) in Zwitserse banken is terechtgekomen eenzelfde bedrag? Voor elke bankrekening die sinds 1945 tevergeefs op een in een concentratiekamp overleden rekeninghouder ligt te wachten, nog eens 1.000 franken?

Bij een bezoek aan Zwitserland twee weken geleden kwam ik Bergier toevallig tegen op de Bundesplatz in Bern. Op de vraag of hij een verklaring had voor het tumult van de laatste tijd, antwoordde hij dat Zwitserland altijd een beetje spottend naar de boze buitenwereld had gekeken. “Jetzt sind wir dran.”

We zijn gewoon aan de beurt, vindt Bergier, en hij zei het zonder verbazing. Maar hij is de uitzondering. Het overgrote deel van de Zwitsers koestert zich in de gedachte dat neutraliteit Zwitserland immuun heeft gemaakt voor het kwaad. Zo is het ze ook altijd geleerd. Nog steeds worden in schoolboekjes historisch oneffenheidjes gladgestreken met oude mythes. Als scholieren al iets te horen krijgen over de Tweede Wereldoorlog (in veel scholen houdt degeschiedenis op bij Napoleon) dan gebeurt dat uiterst omzichtig.

In een schoolboek valt te lezen, dat één regeringslid na de oorlog toegaf “dat men in de beoordeling van het mogelijke en verdragelijke, misschien te angstig was geweest” - aan de grens terugsturen van ten minste 30.000 joden, de nazi's suggereren een J in het paspoort van joodse onderdanen te stempelen, mensen alleen toelaten als Zwitserse joden voor hen financieel garant wilden staan, wordt afgedaan als een schoonheidsfoutje. Wie altijd zo naar de geschiedenis heeft gekeken, wordt vanzelf hardleers.

Nu hebben anderen zand tussen de radertjes van het Zwitserse precisie-uurwerk gestrooid, maar de Zwitsers weigeren in te zien dat het horloge daardoor steeds verder achterloopt. De wereld verandert en Zwitserland doet hardnekkig zijn best om dezelfde te blijven. Dat kost steeds meer moeite.

Onzekerheid over de toekomst - die tot voor kort zo heerlijk onveranderlijk leek - neemt toe. De economie stagneert en het land kampt voor het eerst in jaren met forse werkloosheid (5,7 procent wat Europees gezien niet hoog is, maar voor Zwitserse begrippen immens). Nog maar 34 procent van de Zwitsers identificeert zich volgens een enquête deze week in de eerste plaats met het land (en pas dan met kanton of gemeente); dat is 10 procent minder dan twee jaar geleden.

In december 1992 stemde een meerderheid van de Zwitsers nog tegen toetreding tot de zogeheten Europese Economische Ruimte, uit angst dat het een voorportaal voor de Eurpese Unie zou worden. Maar de globalisering van de economie stopt kennelijk niet meer aan de Zwitserse grens.

Zo krijgt de affaire in Zwitserland zelf steeds meer een politieke lading. “Pacifistische, antimilitaristische en linkse kringen” zien een mogelijkheid om de geschiedenis te 'herschrijven', schrijft Franz Steinegger, voorzitter van de conservatieve FDP, deze week in de Neue Zürcher Zeitung. Hij weet ook wel waarom: ze willen Zwitserland als Finanzplatz kapot maken.

Impliciet zegt hij daarmee dat de Zwitsers best hun geschiedenis mogen onderzoeken, zolang het de Zwitserse financiële wereld maar niet aantast. Zoals de meeste Zwitsers weigert hij te accepteren dat Zwitserland op weg is een gewoon land te worden.