Mijn oom is een Duitser

'Schwarz!' roept Douwe (4) heel hard. De juf heeft hem gevraagd welke kleur de hoed van de piraat heeft. Als het antwoord goed blijkt, kukelt hij van enthousiasme van zijn kruk. Even daarna deelt de juf kleurplaten uit en mogen Douwe en zijn klasgenootjes de platen inkleuren in rot, schwarz of grün.

De tekenles in groep één van basisschool De Lipper in Enschede is deze week een 'Duitse tekenles'. De les wordt halverwege onderbroken en door een Duitse juf overgenomen die de les voortzet in het Duits. 'Verduitsing' noemen ze dat.

Op slechts twee basisscholen in Nederland wordt officieel Duitse les gegeven, en allebei staan ze in Enschede. De Europese Raad van Ministers van Onderwijs beval in 1995 aan om te streven naar meertaligheid van de EU-burgers, die naast hun moedertaal in twee andere Europese talen van de EU zouden moeten kunnen communiceren. In Twente leek dat een verheffende gedachte, met praktische kanten. Duitsers en de Duitse taal maken deel uit van de dagelijkse belevingswereld van veel Twentse kinderen. In de straten van Enschede toeren heel wat auto's met een Duitse nummerplaat rond en wie een pond kaas koopt op de markt, staat in de rij met Duitsers die hetzelfde doen. Reden om alle leerlingen gedeeltelijk in het Duits les te gaan geven, vond de basisschool De Lipper, en vroeg toestemming aan het ministerie. Collega-basisschool Robers Kom deed hetzelfde.

'Vroegtijdig Duits in de basisschool' heet hun driejarige project dat duurt tot 1998. Zo'n vijfenveertig scholen aan de Duitse kant van de grens doen hetzelfde met het Nederlands, waarbij twee in een samenwerkingsverband met de scholen in Enschede. “Het gaat er niet om de kinderen Duits te leren, maar om ze gevoelig te maken voor een vreemde taal”, zegt Netty Wermer van de schoolbegeleidingsdienst Drienerwoold. Het gaat om Duits als 'ontmoetingstaal'.

PLAT DUITS

Spelenderwijs Duits leren betekent geen dictee, geen repetitie en geen rijtje voorzetsels met de vierde naamval. Het gaat om het spontaan opnemen van de taal. Niemand krijgt een standje als hij 'groen' antwoordt wanneer de juf vraagt 'welche Farbe hat der Pullover?' “Te veel verbeteren remt de kinderen”, zegt Heike Elsmann. Ze is juf in de Duitse plaats Gronau en elke week rijdt ze heen en weer tussen haar eigen school en De Lipper in Enschede. Halverwege komt ze haar Twentse collega tegen, die op weg is naar Gronau. Dat duurt nog tot volgend jaar, dan moeten de leerkrachten in Enschede en Gronau het zelf kunnen. “Thuis sprak ik altijd plat Duits”, zegt ze. Dat is een voordeel, want dat dialect heeft veel raakvlakken met de Twentse tongval. In elke groep komt ze een kwartier tot een half uur. Groep één houdt het niet langer vol dan een kwartier, maar in de bovenbouw wordt er gemakkelijk een half uur vol gekwekt. Sharon (9) en haar klasgenoten in groep zes hoeven niet meer te raden welke kleur de hoed van de piraat heeft, maar oefenen de telwoorden en stiekem ook een beetje idioom: “Setzte die Ziffer eins zum Piratenhut”, vraagt Elsmann. Het zwaard en de bijl die de piraat in de hand heeft, weet Sharon vlot te vertalen in das Schwert en das Beil. Ze is dik content met de Duitse les: “Mijn oom is Duitser en met hem kan ik al een beetje Duits praten.” Elsmann was van tevoren gewaarschuwd dat de Nederlandse kinderen minder formele omgangsvormen hebben dan de Duitse. “Hier word ik inderdaad 'Juf Heike' genoemd, in Duitsland 'Frau Elsmann'. Maar ik vind de kinderen hier gedisciplineerder en beter luisteren dan bij ons in Duitsland.”

GRENSSTREEK

“Uiteindelijk is het de bedoeling dat aan dit soort scholen tweetalig onderwijs wordt gegeven”, zegt prof.dr. G.J. Westhoff, hoogleraar Vreemde Talendidactiek aan de Universiteit Utrecht, die de effecten van dit type onderwijs onderzoekt. Bijzonder vindt hij het niet. “Vergeet niet dat over de hele wereld meer dan vijftig procent van de kinderen tweetalig is en les krijgt in een andere taal dan thuis wordt gesproken.” Westhoff verwacht dat het project juist in de grensstreek een succes zal worden: “De scholieren zijn gemotiveerder omdat ze ervaren dat het Duits bij hun werkelijkheid hoort, dat ligt in de Randstad heel anders.” Hij wil de Duitse reken- of aardrijkskundeles geenszins vergelijken met het Engels dat in groep zeven en acht wordt aangeboden en maakt nadrukkelijk onderscheid tussen tweetalig onderwijs en onderwijs in een vreemde taal, zoals het Engels. “Bij tweetalig onderwijs is de vreemde taal de voertaal in de klas en dat leidt tot een bijna-moedertaalniveau.” Verduitsing van de teken- of rekenles is daarbij het begin.

De ontwikkeling van het lesmateriaal verzorgen de beide scholen zelf in samenwerking met de Stichting Leerplan Ontwikkeling. Elsmann leest op dinsdag het verhaal 'Vom kleinen Maulwurf' en wie dat niet snapt, krijgt hetzelfde verhaal van de eigen juf of meester aan het einde van de week nog een keer te horen, maar dan in het Nederlands, 'Over een kleine mol.'

De verduitsing van de lessen is niet facultatief; alle leerlingen moeten eraan geloven. Ook de leerlingen met een taalachterstand of allochtone leerlingen. Westhoff: “Er is nooit aangetoond dat kinderen met een taalachterstand verder achterop raken door deze vorm van onderwijs.” Allochtone kinderen floreren zelfs beter. Ze hebben vaker dan gemiddeld familie aan de andere kant van de grens waarmee ze Duits kunnen spreken en bovendien zijn ze in de les gelijkwaardiger aan Nederlandse leerlingen: allebei beginnen ze bij de basis. “Eindelijk zijn ze eens niet de dommerik van de klas.”

'Hier word ik juf Heike genoemd, in Duitsland Frau Elsmann'