Kaatsmannetje hoort er niet meer bij

Het lange lijf wordt steeds stijver. René Eijkelkamp (32) herstelt van een operatie aan zijn achillespees. Nog vier maanden, dan wordt hij door PSV keurig aan de kant gezet. De kans is groot dat hij volgend seizoen terugkeert naar Go Ahead Eagles, waar hij zijn loopbaan in 1981 is begonnen. “Twee keer overstappen met de trein en dan nog een half uur lopen.”

René Eijkelkamp ligt op een oud bankstel in een veredelde logeerkamer, die vroeger dienst deed als paardenschuur. Tweedehands meubels van het kringloopbedrijf, vertelt hij trots. Het been moet omhoog, nog twee weken. Hij kijkt naar buiten waar zijn zoontje met een kruiwagen sjouwt en zijn moeder “macrobiotisch bezig is”. Echtgenote Loes schenkt koffie en wijkt zoals gewoonlijk niet van zijn zijde.

“Ik ben een heel sociale hond, een echt kuddedier. Als ik alleen ben ga ik zitten piekeren, over allerlei dingen prakkiseren. Voor de televisie word ik heel misselijk. Ga ik liever een potje lullen bij mijn vader. De verhalen die hij vertelt zijn tenminste echt. Of ik pak de auto en ga naar een café voor een paar glaasjes bier. Nooit moeite mee gehad. Ik weet zelf wat goed voor me is. Geen trainer die me heeft kunnen overtuigen dat een paar borrels slecht voor me zijn.”

Zijn voetballoopbaan is een toonbeeld van regelmaat. Via de SV Dalfsen naar het jeugdinternaat van Go Ahead Eagles, vervolgens een stapje hoger naar FC Groningen, via KV Mechelen en Club Brugge als pinchhitter aangetrokken door PSV. Hij schikte zich in een reserverol, maar kwam opvallend vaak aan spelen toe. Altijd in de spits, met zijn rug naar het doel, in dienst van anderen. En juist die anderen hebben hem de afgelopen weken in de kou laten staan. Geen contractverlenging, weinig attenties na de operatie.

“Stan Valckx is in het ziekenhuis geweest, hij is mijn maatje bij PSV. En Arthur Numan, de aanvoerder. Voor de rest heeft niemand iets van zich laten horen, maar daar zit ik ook niet op te wachten. Ik heb een fruitschaal gehad van die gasten, meer heb ik niet nodig. Ik ben zelf ook niet zo'n beller. Het leven gaat gewoon door, met of zonder jou. Als ik op de Herdgang kom, hoor ik er niet meer bij. Zit je daar achter beslagen ruiten naar de training te kijken. Koffie drinken, nog eens koffie drinken. Dat gaat stierlijk vervelen.”

Hij staat bekend als een buitenbeentje in de wereld van vedetten, sponsors en makelaars. Hij is een voetballer die meer geniet van een potje kaarten met de buurman dan van een buitenlandse trip met zijn collega's. “Een simpele voddenboer kan tien keer leuker zijn dan iemand in het voetbal waar iedereen huizenhoog tegenop kijkt. Liever zwikken, toepen of klaverjassen op de boerderij dan een duf trainingskamp in een ver land. De hele avond televisie kijken, nee dank je wel.

“Die verveling in het hotel zal ik nog het minste missen. Van ellende ging ik altijd maar boeken lezen, hoewel ik natuurlijk helemaal geen studiebol ben. Vijf jaar MAVO en een middenstandsdiploma, daarna kwam het voetbal. Ik kan redelijk netjes een gat in een muur boren, verder heb ik weinig geleerd. Maar ik beschik wel over veel mensenkennis. Daar wil ik later iets mee gaan doen. Kleine apen leren voetballen en zorgen dat ze niet naast hun schoenen gaan lopen. Zoiets.”

Zijn afkomst zal hij nooit verloochenen. Hij groeide op aan de Vecht in Overijssel, waar de mensen nog via de achterdeur bij elkaar binnenlopen. Als zoon van een marskramer leerde hij de streek kennen. Vijftien jaar profvoetbal: geen dag zonder heimwee. “Wij hebben besloten hier niet meer weg te gaan. Ook niet als Anderlecht op de stoep staat. Dan maar geen Anderlecht. De mentaliteit spreekt mij hier erg aan. Als iemand schuin loopt, wordt hij meteen recht gezet.”

Hij heeft nauwelijks vijanden gemaakt in de voetballerij, vrienden voor het leven evenmin. “Die contacten verwateren, maar dat interesseert me niet. Wij hebben zoveel familie, we hebben al moeite genoeg daar mee af te spreken. Kennissen komen voor mij op de tweede plaats. Met je familie moet je verder, daar kun je op bouwen. Als je bij Loes thuiskomt, is het net een kippenhok. De hele kamer zit vol. Toen haar vader overleed, waren we heel sterk met z'n allen. Dat schept een band die nooit verloren gaat.”

Terug naar het voorjaar van 1996. Na afloop van de UEFA-Cupwedstrijd Barcelona-PSV staat de familie Eijkelkamp in de catacomben van stadion Nou Camp. Drie mannen uit één stuk gegoten. Even verderop houdt Johan Cruijff, destijds trainer van Barcelona, een persconferentie. Hij roemt het spel van 'die lange van de tegenpartij'. René Eijkelkamp slaat de armen om de schouders van zijn familieleden.

Toen: “Dat is toch schitterend, dat deze jojo door meneer Cruijff de hemel wordt in geprezen.” Nu: “Die week in Barcelona is de mooiste uit mijn leven. Mijn broer en mijn vader mochten in hetzelfde hotel slapen. Een grote droom. Ik speelde die avond fantastisch, heb geen bal verspeeld. Alleen miste ik drie mooie kansen. Als die hadden gezeten, had Cruijff na afloop minder makkelijk lullen gehad.”

Hij is geen toonbeeld van schoonheid of elegantie. Zijn haviksneus en zijn lange stelten werkten op de lachspieren van menig voetballiefhebber. Pas later kwam de waardering voor het “ouderwetse kaatsmannetje”. Als vast aanspeelpunt in de voorhoede liet hij anderen beter spelen, maar verwaarloosde hij zijn eigen lichaam. “Deze blessure is een gevolg van mijn speelstijl. Ik zet me vast in de grond. Mijn linkerbeen is mijn standbeen. Met de rechter neem ik meestal de bal aan. Links heeft zoveel tikken gehad, ongelooflijk. Ik heb nooit leren ontwijken. Ik ben natuurlijk geen Cruijff of Ronaldo. Die voelen een tackle beter aan.

“Als je zestien jaar in de spits hebt gestaan, is het meestal wel met je gebeurd. Al die aanslagen eisen hun tol. Het duurde altijd twee dagen voordat ik weer fit was na een wedstrijd. Ik heb een hekel aan trainingen overslaan - dat hoort gewoon niet - maar alles draait om de wedstrijd. De mensen komen naar het stadion, niet naar de training.”

Relativeren is zijn tweede natuur. Revalideren valt hem steeds zwaarder. Hij herstelde redelijk snel van een beenbreuk en een hernia, maar de afgescheurde achillespees baart hem zorgen. “Als ik nu een schema meekrijg van de fysio, werk ik hooguit het halve programma af. Ik ben niet lui, maar ik heb iemand nodig die mij achter de vodden zit. Hier heb ik niemand om mee te lopen, behalve de honden. Op de Herdgang heb ik Luc van Agt. Hij noemt zichzelf inspanningsfysioloog. Dat is een duur woord voor een looptrainer.”

Voor de kerst heeft hij nog gezworen nooit meer onder het mes te gaan. Uiteindelijk bleek de operatie onafwendbaar. “Ik had geen andere keus. Zonder operatie had ik zelfs niet meer kunnen tennissen. In de winterstop ben ik hier nog in het bos gaan lopen. Nergens last van. Maar na de eerste groepstraining kwam de pijn terug. Stel dat ik over een paar jaar ergens jeugdtrainer ben, dan moet je goeie pezen hebben. Ik heb er geen spijt van ook. De operatie is geslaagd. De narcose was net een middagdutje. Ik dacht even weg te doezelen, toen bleek mijn poot al in het gips te zitten.”

Vorige maand kreeg hij te horen dat zijn tweejarig contract bij PSV niet zal worden verlengd. Eerst was er paniek. “Welke club wil mij nog hebben?” Later kreeg hij begrip voor de situatie. Als manager van PSV zou hij dezelfde beslissing hebben genomen. “ Kijk eens wat een hoop spitsen erbij zijn gekomen: De Bilde, Bruggink, die Roemeen Stinga. Voor mij was er geen plaats meer, daar moet je heel eerlijk in zijn.

“Ik ben bijna 33 en had er graag nog een paar jaar bij aan gedaan. Het liefst in Eindhoven, want die Champions League lonkt natuurlijk. Maar het is niet anders. Nu richt ik mij op de kampioenswedstrijd. Eind mei moet ik met die schaal in mijn handen staan.”

Als het lichaam verder wil, zal de geest hem niet in de steek laten. Aan motivatie geen gebrek. “Waarom zou ik op mijn hoogtepunt moeten stoppen? Ik wil nog steeds elke dag om half elf op het veld staan. Lekker in de buitenlucht, dan voel je je een bevoorrecht mens. Aanvallend voetbal en een goede sfeer moet ik hebben. Geen counterploeg met tien procent balbezit. Daar zit een 'kaatser' niet op te wachten.

“Ik kan terugkijken op twee fantastische jaren bij PSV. Ik kwam bij een club waar alles perfect georganiseerd was. Voor mij een openbaring. Ik ging als kleine jongen met twee keer overstappen in de trein naar Go Ahead. 's Ochtends om half zes weg, in Deventer van het station naar het internaat, dat was een half uur lopen. Voetballers die als junior bij Ajax of PSV met busjes werden weggebracht, vinden al die luxe heel normaal. Die storen zich aan de armoede in Georgië. En dáár stoor ik me dan weer aan. Waarom neerkijken op een andere cultuur?

“Soms denk ik: had PSV maar acht jaar eerder gebeld. In België heb ik vijf behoorlijke jaren gekend. In Nederland had niemand in de gaten hoe goed ik daar speelde. Alleen als je elke week een hattrick maakt, komen ze een keertje naar je kijken. De meeste mensen kregen achteraf pas door wat ik allemaal in mijn mars had. Een beetje onderschat ben ik wel, maar daar leer je vanzelf mee leven. Ik hoef niet zo nodig op een voetstuk te worden geplaatst.”

Hij heeft in al die jaren redelijke salarissen verdiend, maar behoorde nergens tot de best betaalde spelers. “Iedereen wil altijd meer en nog eens meer. Er zijn zoveel aasgieren op deze aardkloot, ongelooflijk. Geld is mooi meegenomen, maar er zijn veel belangrijkere dingen. Ik ken hier in de buurt genoeg mensen die eerst drie supermarkten aflopen om te kijken waar het brood goedkoop is.

“Ik ben heel tevreden met wat ik heb. Een autootje, een gezin en een paar honden. Een echte burgerman. Ik houd niet van dat gezeik over elkaars rug. Als Ronaldo veel meer geld pakt dan ik, is hij dat blijkbaar waard. Dat jong had van mij wel tien miljoen mogen verdienen bij PSV. Met hem erbij waren we nu al kampioen geweest. Als hij zich voorneemt twee keer te scoren, dan doet hij dat ook. Ik noem dat een gave. Ik heb het ook wel eens in mijn kop gezet om twee keer te scoren. Meestal werd ik dan prompt gewisseld.”

Zelfspot aan de Vecht. Een schaterlach weerklinkt door de verbouwde paardenstal. Hij voelt aan het gips, slaat een laatste blik over het boerenerf en beseft dat het leven goed is. “Begrijp je nu waarom ik hier nooit meer weg wil?”

    • Jaap Bloembergen