Integriteit en inquisitie

HET DILEMMA van de bestuurlijke integriteit werd medio vorig jaar mooi verwoord door een Kamerlid: “Weerbaarheid mag niet leiden tot een overheid die zich als in een burcht in de samenleving verschanst.” Minister Dales (Binnenlandse Zaken) bond vijf jaar geleden in een tweetal befaamd geworden toespraken tot gemeentebestuurders en -ambtenaren de kat de bel aan: “een beetje integriteit gaat niet”.

Was dit de aanzet tot een morele paniek of slechts een kwestie van achterstallig onderhoud? Bij een evaluerende conferentie deze week in Ede klonken vooral waarschuwingen tegen “alarmisme”.

De nieuwe hoofddirecteur van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, dr. J.Th. van den Berg, zette vorig jaar vlak na zijn aantreden de tegenaanval in met een toespraak voor Limburgse bestuurders. Een interessant forum in dit verband. Het appèl van minister Dales heeft volgens Van den Berg “niet alleen positieve effecten gehad. Zij riep een inquisitiebehoefte op bij diverse instanties en partijen die mensen in een aantal gevallen onevenredig heeft beschadigd.”

Het gevaar is, volgens Van den Berg, dat “de morele bewijslast wordt omgekeerd en rust op politici en ambtenaren - een naar zijn aard onmogelijke opdracht”. Het zijn echter de laatste jaren juist politici geweest - loyaal bijgestaan door hun ambtenaren - die een aantal bij uitstek moreel geladen campagnes hebben ingezet tegen de “calculerende burger”. Daarmee hebben zij een bijzondere verantwoordelijkheid op zich geladen. Wie kaatst, kan de bal verwachten.

De VNG-hoofddirecteur toonde zich daarentegen vooral bezorgd “dat de lat zo hoog wordt gelegd dat besturen en beslissen onmogelijk wordt”. Hij bekritiseerde met name het openbaar ministerie in Limburg voor zijn al te ijverige aanpak van in opspraak geraakte bestuurders en ambtenaren.

Het is maar van welke kant men tegen de lat aankijkt. De strafrechtelijke bewijslast is juist in Limburg een ware heksentoer gebleken. De justitie bleek bijvoorbeeld niet opgewassen tegen vormen van beloning na wisseling van openbare functie - hoe onbevredigend dat maatschappelijk en bestuurlijk ook moge zijn. En daarbij ging het om meer dan een wat fors uitgevallen relatiegeschenk.

HET MISBAAR dat hier en daar wordt gemaakt over zelfs de kleinste attentie is buiten proportie, dat mag Van den Berg worden toegegeven. Zeker als men ziet wat soms legaal mogelijk is, of wordt getolereerd, aan nevenactiviteiten. Meer in het algemeen is de overheid onderhevig aan een cultuurverandering. Voortdurend worden profitorganisaties tot voorbeeld genomen. Voortgedreven door marktgericht werken wanen aanvankelijk sobere ambtenaren zich plotseling in de wereld van Peter Stuyvesant. “Corruptie staat slechts zelden op zichzelf”, waarschuwde reeds een ervaren magistraat, “het is eerder een symptoom van een organisatieziekte.”

In Ede pleitte de secretaris-generaal van het departement van Binnenlandse Zaken met reden voor “een open cultuur waarin ambtsdragers expliciet op hun gedrag kunnen worden aangesproken”. Veel overheidsgeledingen zijn, naar zijn stellige indruk, de fase van de bewustwording nog niet voorbij. Het belangrijkste nieuwe initiatief van het kabinet richt zich intussen op het externe “relatiebeheer”. Onder het acronym BIBOB (bevordering integere besluitvorming openbaar bestuur) is een project gelanceerd om overheden te helpen zich malafide ondernemers of subsidie-aanvragers van het lijf te houden. Een centrale rol wordt daarbij toegedacht aan de Centrale Recherche Informatiedienst, die informatie uit diverse bronnen - inclusief zogeheten “zachte” informatie - zal mogen combineren. En zeker niet alleen voorzover het de georganiseerde misdaad betreft.

HET KABINET ONDERKENT dat dit project gevaarlijke kanten heeft en dat “duidelijke grenzen” nodig zijn. Controleerbaarheid door de rechter moet worden gewaarborgd. Geen geheime dossiers. Voorop dient immers te staan dat “het ambtelijk apparaat de politiek niet kan, mag en behoort te controleren”, zoals een hoge BVD-functionaris in 1995 verklaarde. Dat is minder makkelijk dan wellicht lijkt. Op het gebied van het milieubeheer bijvoorbeeld “wemelt het van de onderhandse afspraken en persoonlijke belangen”, zoals het werd genoemd in een studie in opdracht van de BVD.

In deze studie kon men een bestuurder tegenkomen die zowel de pet opheeft van aanbieder van afval, als van ontvanger, vergunningverlener en controleur. De rechtstreekse onderhandelingen tussen de vraag- en aanbodkant laat hij (uiteraard) over aan collega's. Maar zoiets blijft vragen om moeilijkheden. Dat heeft niets te maken met inquisitie.