In modern Kenia is voor nomaden nauwelijks nog plaats; Op eigen grond verdwaald

Zelf noemen ze het de grootste landroof sinds de onafhankelijkheid van Kenia: steeds kleiner wordt er de ruimte waar nomaden met hun koeien kunnen rondtrekken, tussen struisvogelboerderijen en landbouwgrond. Maar vaak hebben de nomaden dat land zelf verkocht. 'Verkocht of niet, het blijft van mij en mijn koeien. Basta.' De koppigheid van een reizend volk.

Ngai (God) schiep eerst het nomadenvolk de Masai en vervolgens het vee om de Masai van voedsel te voorzien. Pas daarna heeft Hij landbouwers in het leven geroepen. Ngai maakt Zijn wensen aan de Masai duidelijk door het weer. Wordt het droog op de savanne, dan zendt Hij de Masai de hooglanden in. Wil hij niet dat ze bij rivieren verblijven, dan stuurt Hij tse-tse vliegen. De landbouwer kreeg een klein stukje grond toebedeeld, want hij wilde niet reizen. Het meeste land behoort aan de Masai. Landbouw is een minderwaardige bezigheid. Immers, je hakt niet in het hoofd van Ngai.

Deze goede woorden van God voor de Masai worden dertig kilometer ten zuiden van de Keniase hoofdstad Nairobi niet meer geëerbiedigd. Op de grasvlaktes van de Masai die reiken tot ver over de Tanzaniaanse grens leefden nomaden en wilde dieren tot voor kort harmonieus samen. De enige mensheid bestond uit vriendelijke groetende Masai-krijgers met hun vee. Op de achtergrond heerst de berg de Kilimanjaro, het huis van Ngai.

Een groter contrast is nauwelijks mogelijk. De grootste landroof sinds de onafhankelijkheid, noemen de Masai wat er zich afspeelt in hun gebied. Expansionistische landbouwers en stedelingen zetten de afgelopen jaren hun klauwen en ploegen in dit land. De vlaktes beginnen nu met een industriegebied. Dan volgen de mooie villa's en de lelijke kerkjes. Elektrische draden omheinen grote lappen grond. Als de stippen van een luipaard staan bordjes op de lichtgele vlakte met het opschrift: 'Plots for sale.' Hoge politici en hun familieleden vestigden er bloemen- of struisvogelboerderijen. De zwarte aarde is vruchtbaar, maar de regenval is onvoldoende voor landbouw. Dus legden de ontwikkelaars een pijpleiding aan vanaf de Kilimanjaro. Aanvankelijk bedoeld voor de dorstige stadjes Machakos en Kajiado vloeit dit goddelijke water nu naar rozen, bloemen van de savanne die na een tussenstop in Aalsmeer Europese en Amerikaanse huiskamers zullen versieren.

Een nomade bepaalt zijn positie door de zon, bomen, stenen, bergen en de horizon. Mijn Masai-begeleider Jason kan zijn weg niet meer vinden in zijn eigen geboortegebied. Hij stuit op hekken, struikelt met zijn lange benen over heggen van cactusplanten of verdwaalt in een maïsakker. “De buitenlanders hebben ons beroofd van onze ruimte”, verzucht hij over de invasie van Masai-land door andere Keniase volkeren. “Onze koeien mogen niet grazen op akkers. Daarom staken we een akker van een landbouwer in brand. Of we knippen het prikkeldraad door. Want een Masai zonder koeien is niets waard.”

Kenia's landbouwgrond, slechts 17 procent van het totale landoppervlak, raakt overbevolkt. Landhonger drijft onder meer leden van het landbouwvolk de Kikuyu naar Masai-gebied. Njoroge kocht drie jaar geleden drie acre Masai-land. “Het is prachtige grond”, hijgt hij als hij zijn spade in de gebarsten aarde zet. “In mijn oorspronkelijke woongebied had ik nog geen halve acre kunnen kopen, iedere meter is er ontgonnen.” Met argusogen kijkt hij naar mijn Masai-begeleider, die deze blik opvat als een hint om weg te lopen. “Hé, kijk uit voor mijn nieuwe heg”, roept Njoroge tegen Jason als deze tegen een paal schopt. “Weet u meneer, wij hebben hier geen rechten. Kijk daar, daar probeert weer zo'n rotkoe mijn akker binnen te dringen. We kunnen er niets tegen doen, de afspraken die we maken met de Masai-oudsten komen ze niet na. Die koppige nomaden!”

Njoroge veegt het zweet van zijn voorhoofd en hervat de zware arbeid. Hij vecht keihard voor het bestaan van zijn familie. Maar zijn succes betekent de ondergang van Ole Papayao, die eens het land bezat.

Ole Papayao woont vijf minuten verderop. Drie jaar geleden verkocht hij het overgrote deel van zijn land. De koper, zo dacht hij, was één Kikuyu. Toen de overeenkomst was gesloten, vestigden zich niet één maar zeventig Kikuyu-families op zijn land.

Ole Papayao is lusteloos. In zijn kraal staat tussen de onderkomens van koeiestront één vervallen huisje van golfplaten. Hij draagt niet de traditionele rode omslagdoeken van de Masai maar Europese kleding. Met tegenzin praat hij over zijn lot. Zijn zenuwachtige lachje moet zijn verdriet verbergen. En schaamte. “Denk je werkelijk dat ik vrijwillig mijn land verkocht? Armoede dwong me ertoe”, murmelt hij. Hij wijst op zijn maag en de buikjes van zijn kroost. “Daar ging de opbrengst naar toe. En naar hun scholing.”

Zijn oudste zoon probeert de spanning te breken. “Ons land is een geschenk van Ngai”, interrumpeert hij. “Het gaat dus in tegen de geest van de Masai om het te verkopen. Ngai is niet tevreden over ons.” Even lijkt de geest terug te keren bij zijn vader. “Mijn koeien mogen die verdomde akkers niet op”, zegt hij kwaad. “Of ik dit land nu heb verkocht of niet, het blijft van mij en mijn koeien. Basta.”

De Masai kenden geen privébezit van land. Onder druk van buitenlandse donoren en regering gingen ze zich eind jaren zestig verenigen in grootschalige groupranches. Dit was hun eerste stap richting kapitalisme, waarvoor privatisering van de grond een voorwaarde is. De communale levenswijze van de Masai is niet modern. Tien jaar na de oprichting van de groupranches vielen deze door corruptie en politieke druk uiteen en ieder kreeg zijn eigen stuk grond, veelal te klein voor extensieve veeteelt. Onwetendheid over de waarde van geld en privé-eigendom deed vervolgens menig Masai besluiten zijn grond te verkopen. “Het betreft een heel verfijnd systeem om ons ons land af te troggelen”, zegt Ole Timoi. “De meeste Masai weten niet wat ze doen als ze hun grond verkopen. We worden overspoeld door buitenlanders, we raken de controle kwijt over ons eigen, door Ngai gegeven gebied.”

Ole Timoi leidt een belangengroep van de Masai in de regionale hoofdplaats Kajiado. Hij schikt zich niet, zoals gebruikelijk bij nomaden, in zijn lot. “Wij verenigen ons, om te werken aan de bevrijding van de Masai. Wij zijn de eerste nomaden die het opnemen voor onze rechten.”

Bitter praat Ole Timoi over de landroof, het water voor de bloemen en over de Keniase vice-president en familie van de president die delen van Masai-land bezetten. “Het valt moeilijk om nomaden te verenigen”, stelt hij. “We vechten onderling. Het individualisme neemt hand over hand toe door de landverdeling. Je moet tegenwoordig zonder hulp van de gemeenschap voor je familie zorgen, je moet voor je eigen kinderen onderwijs betalen. De communale instelling maakt plaats voor eigenbelang. Onze geest ontglipt ons. We beschikken over te weinig intellectuelen die een verband kunnen leggen tussen het verleden en de toekomst, die de geschiedenis kennen van de Amerikaanse Indianen. Maar de Masai ontwaken, dit is het begin!”

Naomi Kipury, die een boek schreef over de orale literatuur van haar volk de Masai, stelt zich net als Ole Timoi strijdvaardig op. “Er is te veel met ons gesold door de heersers, de landbouwers en de stedelingen, in Afrika. Je ziet onmiddellijk hun vijandige houding als in droge tijden de Masai met hun koeien op zoek naar gras Nairobi binnentrekken. En dat terwijl Nairobi eens Masai-gebied was!”

Miljoenen jaren geleden ontstond in het barre land van Noord-Kenia de mensheid, als we de archeologen mogen geloven. De eerste mensen waren, evenals de huidige bewoners, nomaden. Kaïn vermoordde Abel want Abel was Gods lieveling. Abel was een herder. Kaïn stichtte na de moord op zijn broer de eerste stad. Eeuwenoude spreekwoorden in verscheidene culturen refereren aan het verhevene van het nomadendom. “Het leven is een brug, goed om over te steken, niet om een huis op te bouwen”, luidt een Indiaas gezegde. 'Thuis is waar je bent', zegt een gezegde van de Masai.

In de hele wereld leven nog dertig tot veertig miljoen nomaden. In Afrika zijn nog altijd de meeste natuurvolkeren te vinden. In Ethiopië leidt 10 procent van de bevolking (5 miljoen) een nomadisch bestaan, in Kenia 15 procent (3,5 miljoen), in Soedan 14 procent (3,5 miljoen), in Mali 11 procent (één miljoen) en in Mauretanië 15 procent (0,3 miljoen). De Afrikaanse machthebbers zijn echter goeddeels landbouwers. Het continent wordt ontwikkeld volgens de culturele waarden van de landbouwers. Ontwikkeling betekent vestiging op een stuk grond met een hek er omheen. Dwalende nomaden kennen geen grenzen en door de geschiedenis heen vormden ze daarom een politieke bedreiging voor overheden die hun onderdanen willen controleren. Nationale vooruitgang en nomadisme staan lijnrecht op elkaar, vinden de Afrikaanse regeerders. De nomade moet aan de ketting worden gelegd.

Nomaden komen in verzet. In Nairobi toont Abdi Umar, leider van het in 1994 opgerichte Kenya Pastoralist Forum, zich even koppig en krijgshaftig als zijn herdersvolk de Somaliërs. “De regering kan ons niet langer negeren, 67 procent van Keniaas grondgebied wordt bewoond door herdersvolkeren. Zeventig procent van alle wilde dieren, waar de toeristen met hun harde valuta op af komen, leeft harmonieus met ons samen. En ook ons vee wordt steeds belangrijker voor de nationale economie. We hebben wel degelijk een machtspositie maar weten nog niet hoe deze te gebruiken.”

Grondbezit en competitie met landbouwers vormen de grootste bedreiging voor de Masai in Zuid-Kenia. Op het zanderige noorden van Kenia hebben de landbouwers nog niet hun begerige ogen laten vallen. De nomaden van Noord-Kenia daarentegen lijden in toenemende mate onder gewapende anarchie: hun eigen traditionele bestuurssytemen functioneren nauwelijks meer en de introductie van moderne overheidsstructuren betekenen geen alternatief.

Er valt nauwelijks een woester landschap te bedenken om in te leven. Het gras verbergt zich tot het volgende regenseizoen. Twee jaar lang heeft het niet geregend. In deze wildernis klinkt geen mechanisch geluid, brandt geen elektrisch licht en staat geen stenen gebouw. Het kan niet anders of degenen die zich hier aan de natuurlijke elementen overgeven, onderscheiden zich van boeren op hun vriendelijk groene akkers of van de bewoners in de beschermde stenen steden. De Keniase regering verklaarde Noord- en Oost-Kenia onlangs tot noodgebied wegens ernstige voedseltekorten als gevolg van droogte. Ruim een half miljoen mensen, van wie het merendeel nomaden, krijgt de komende maanden voedselhulp van de overheid.

Eén van de nomadische volkeren van het noorden is de Boran. Garba Tulla, een stoffig dorpje, wordt de hoofdplaats van Boran-gebied genoemd. Abdul Nassirs ouders leidden nog een nomadisch bestaan. Hij vestigde zich in Garba Tulla en ging in de politiek en zaken. “De wereld is van jou, je kent geen grenzen. Dat gevoel kent iedere nomade”, omschrijft Abdul de gedachtenwereld van de nomade. “Als een nomade geld heeft, koopt hij geen huis en vestigt zich niet. Nee, hij investeert in koeien. Wij willen geen hard fysiek werk doen, zoals de landbouwers.”

Dan begint de tirade. “Maar dat gevoel is niet meer toepasbaar, want we kunnen niet meer alle kanten uit. De moderne autoriteiten laten de toenemende stammenstrijd om weidegrond doorwoeden. Ons lot speelt geen rol in de nationale politiek. De regering staat ons niet bij. Er bevindt zich nog niet één abattoir in geheel Noord-Kenia, terwijl veehouderij onze enige economische activiteit is. Als je ons op een boerderij plaatst, zoals de regering wil, weten we niet wat we moeten doen. We zijn een volk zonder hoop geworden, we weten niet eens meer wie we zijn, we verliezen de geest van de nomaden. Nooit vestigde een nomade zich uit vrije wil. Maar als enige toekomst blijft ons om te gaan werken voor de landbouwers.”

Honderd kilometer verder op de zandvlakte ligt het gehucht Sericho, waar het door de overheid benoemde stamhoofd Kuliti een groep Boran-stamoudsten bijeen heeft geroepen in zijn kantoortje. De door raam en deur gierende wind probeert het staatsportret van de Keniase president Moi van de muur te rukken. Ieder bindt zijn sjaal voor de mond tegen het binnendringende stof.

“De regering behartigt alleen de belangen van de landbouwer”, begint Boru Bonaya. “Hoewel wij stamoudsten zeggen dat dit gebied overbegraasd raakt en over te weinig waterbronnen beschikt, kunnen wij de buitenlanders niet meer tegenhouden om te komen grazen. De regering heeft ons de bevoegdheden ontnomen zelf de conflicten met naburige volkeren over weidegrond op te lossen. Maar als ik naar de moderne autoriteiten stap, kunnen ze me niet helpen. De districtscommissaris is de hoogte instantie die bepaalt wie waar mag grazen en hij laat zich beïnvloeden door politici. Wij hebben geen macht meer.” Iedereen knikt instemmend.

Een ander neemt het woord. “Vroeger maakten de Borana onderling en met andere stammen, zoals de Somaliërs, afspraken over het recht koeien ergens te laten grazen. Daarom had er geen overbegrazing plaats”, legt Duba Dima uit. “Maar tegenwoordig eten we al het gras op en trekken naar het volgende gebied. Er zijn te veel mensen in de wereld, te veel buitenlanders, te veel regeringsinstanties, te veel koeien en te veel wapens.”

Ook de levensruimte van de nomadische volkeren in het noorden vermindert. De nomaden konden vroeger in droge tijden uitwijken naar de vruchtbare hellingen van de Mount Kenya. Daar vestigden zich de laatste jaren landbouwers. Of de overheid stichtte er reservaten voor wilde dieren, zoals het Meru-wildpark. “Dat park was nomadenland, nu is het niemandsland. We mogen er niet in, er staat een boete van 6.000 shilling op”, klaagt Abdi Ungiti. “Het enige antwoord op onze problemen is terug te keren naar het traditionele bestuurssysteem, want alleen wij hebben de kennis over dit land tot onze beschikking, alleen wij kunnen de natuur beschermen.”

Terwijl de besluitvormingsstructuren van de nomaden in ongerede raken, slaagt de regering er niet in vat krijgen op het weidse gebied. Er is in toenemende mate sprake van gewapende anarchie in Noord-Kenia, mede als gevolg van de vloed goedkope wapens uit buurland Somalië. De moderne autoriteiten willen of kunnen weinig doen aan de kleine en grote veldslagen die plaatshebben tussen nomadische volkeren. Het herdersvolk de Samburu bijvoorbeeld voerde onlangs hevige strijd met zowel de Somaliërs als de Turkana's. Soldaten van Samburu-afkomst in het nationale leger namen verlof op en kwamen meevechten.

De Somaliërs op hun beurt zochten steun bij de Keniase legerleiding waar tot voor kort een etnische Somaliër aan het hoofd stond. Duizenden koeien wisselden van eigenaar in deze mini-oorlog waarbij tientallen slachtoffers vielen. In december schoten zwaarbewapende veedieven een helikopter van het nationale leger neer. De regering organiseerde geen besprekingen tussen de traditionele oudsten van alle betrokken stammen, ze nam wraak. Regeringssoldaten doodden tientallen veedieven van de Turkana's. De herdersvolken van Noord-Kenia noemen onveiligheid een van de ernstigste bedreigingen van hun bestaan.

In het kantoortje van stamhoofd Kutili wordt de tirade tegen de moderne autoriteiten onderbroken voor een korte lofrede op de regering, die onderwijs introduceerde en in magere tijden voedselhulp brengt. De aanwezigen zijn aangepaste nomaden, ze verblijven permanent in en rond Sericho en sturen in droge tijden alleen nog hun zonen met het vee op zoek naar gras. Om het hele uur piept het alarm in het horloge van Abdi Ungiti en zegt een elektronische stem: “Het is tien uur, het is tien uur.”

“Wat in je zak zit, gaat verloren bij oorlog of droogte”, zegt Abdi, “maar kennis is duurzaam.” Trots wijst hij naar een smerig gebouwtje met lemen muren. “Kijk, we kunnen nu zelf scholen bouwen, en stoelen en tafels.” Dan, alsof de twijfel aan het geweten knaagt, beginnen de aanwezigen de nadelen van scholing op te sommen. Saruce Name drukt zijn lendendoek tussen zijn benen om inkijk te voorkomen en zegt: “Na de lagere school keren kinderen nog wel naar ons terug. Maar zij die de middelbare school bezoeken, gaan verloren. Ze brengen ons soms geld maar verdwijnen in de stad. Onze gewoontes en cultuur komen door onderwijs onder druk te staan.”

Modern onderwijs heeft negatieve aspecten voor traditionele samenlevingen. “In het onderwijssysteem wordt geen poging gedaan de plaatselijke waarden en gewoontes te bevestigen”, zegt een in Boran-gebied werkzame ontwikkelingswerker. “Integendeel, de nomaden wordt geleerd hun cultuur te verachten. Waarom krijgen de leerlingen wel onderricht in landbouw en niet in veeteelt? De economie van de nomaden is gericht op zelfvoorziening, niet op uitbuiting en expansie. Het onderwijssysteem draagt juist de kapitalistische filosofie uit. Maar een nomade heeft geen behoefte aan méér.”

De gezette Amerikaanse pater André Hodgekiss woont en werkt in Boran-gebied. “God loopt zij aan zij met nomaden”, verklaart hij als hij zijn glas gin aan de mond zet bij het begin van een vlammende zonsondergang. “De geesteswereld van de nomaden is gebaseerd op hun vee, de natuur en hun zwerftochten.” Over de verdiensten van modern ontwikkelingswerk in nomadische gebieden koestert Hodgekiss zijn twijfels. “Het meest succesvolle, het meest dankbare is om nomaden na droogte of oorlog weer vee te geven. Als nomaden zonder vee bij stadjes rondhangen, verliezen ze hun spirit. Geef hun koeien, dan komen ze weer tot leven. We helpen ze met gezondheidszorg, scholen en landbouwprojecten, maar ik kan niet zeggen dat ons ontwikkelingswerk hier succes heeft.”

Stamhoofd Kuliti dankt zijn baan aan de moderne overheid, maar hij laat niet na de autoriteiten te kritiseren. Ook Kuliti staat symbool voor een groeiend bewustzijn onder nomadische volkeren. “Wij nomadische volkeren vallen buiten het systeem in Kenia”, begint hij zijn betoog. Hij spreekt met venijn. “En als we al in het systeem zitten, durven we onze mond niet te openen. We missen zelfvertrouwen. Als ik bij een groot stenen overheidsgebouw kom met vele verdiepingen waar dure Mercedessen en Landcruisers staan geparkeerd, dan denk ik: wat heb ik deze mensen te vertellen, dan verlies ik mijn zelfvertrouwen om hen toe te spreken.”

Welke keuze de Masai, de Borana of andere natuur- en nomadenvolkeren ook maken, ze zijn de verliezers. Zowel conservatieve als progressieve Afrikaanse leiders noemen nomaden en andere natuurvolkeren 'primitief', zij moeten zich aanpassen. In de filosofie van de heersers, de landbouwers, is geen plaats voor een ontwikkelingsmodel waarin wilde dieren en vee niet slechts een economisch middel zijn, maar ook de ziel belichamen van de gemeenschap. De geest van de nomade uit zich in zijn liefde voor het vee. “Heb je een landbouwer ooit wel eens een gedicht zien schrijven of een lied componeren over zijn tomaten of kolen”, vraagt Abdi van het Kenya Pastoralist Forum retorisch. “Wij daarentegen verheerlijken ons vee en prijzen dit in onze liederen en poëzie.”

In het ruwe Noord-Kenia kunnen niet, zoals in Masai-land, tere rozen bloeien. Alleen geharde nomaden en wilde dieren hebben hier bestaansrecht. Het gebied is alleen geschikt voor extensieve veeteelt op communale grond door verscheidene herdersvolken. Aan zo'n ontwikkelingsplan wordt niet gewerkt.

Een projectontwikkelaar in Mozambique sloeg onlangs een van de laatste spijkers in de doodskist van de laatste natuurvolkeren. Hij gaat een groot wildpark oprichten waar toeristen zeldzame diersoorten kunnen bewonderen. In het park wil hij ook de laatste leden van het dwergvolk de San (de Bosjesmannen uit de Kalahari) uitzetten.