Holands Dagboek

P.H. Kooijmans (63) was vanaf 1965 hoogleraar internationaal recht. Van 1973 tot 1977 was hij staatssecretaris en van 1993 tot 1994 minister van Buitenlandse Zaken. Onlangs werd hij voor een periode van negen jaar gekozen tot rechter in het Internationaal Gerechtshof. Vorige week trad hij bij het Hof in functie. Hij is getrouwd en heeft twee dochters, twee zoons en twee kleinzoons.

Woensdag 5 februari

Er is iets tussen het Vredespaleis en mij; iedere keer wringt dat merkwaardige gebouw, waarvan het karakteristieke silhouet met de ene toren mij vertrouwd is vanaf mijn vroegste kinderjaren, zich in mijn leven. (We kunnen ons overigens gelukkig prijzen dat het geld ontbrak om het te voorzien van de door de architect geplande vier torens: Bommelstein in Den Haag.) Als student en later bij het schrijven van mijn proefschrift heb ik uren doorgebracht in de bibliotheek; in die tijd had men nog een introductie nodig van een hoogleraar om toegelaten te worden tot die gewijde ruimte. Maar daarna begon het pas echt.

Toen ik in de zeventiger jaren staatssecretaris was, werd ik geconfronteerd met de wens van het Internationaal Gerechtshof, het hoogste rechterlijk orgaan van de Verenigde Naties en hoofdgebruiker van het paleis, te kunnen beschikken over een wat meer aan de moderne tijd aangepaste werkomgeving. Besloten werd om achter het paleis een nieuwe - door een loopbrug met het paleis verbonden - vleugel te bouwen. En - alsof de duvel er mee speelde - tijdens mijn ministerschap kwam een delegatie van het Hof mij vertellen dat door de toegenomen werklast de beschikbare ruimte te klein was geworden. Het besluit viel om binnen het paleis een grondige verbouwing uit te voeren (op de zolder: de bezoeker merkt er niets van) en aan de nieuwe vleugel een aanvoegsel te bouwen; deze nieuwe ruimtes zullen op 25 februari a.s. in aanwezigheid van prins Claus officieel in gebruik worden genomen. En alsof dit alles nog niet genoeg is, zo'n vijftien jaar ben ik lid geweest van het bestuur van de Carnegie Stichting, de zorgzame doch vaak ook door zorgen gekwelde eigenaar van het paleis, waarvan de laatste twee jaar als voorzitter. En nu, als rechter in het Hof, wordt dit dus voor de komende negen jaar mijn dagelijkse werkplek.

In het nieuwste deel van de nieuwe vleugel zit ik in de mij voorlopig toegewezen kamer. Onder mijn raam kabbelt de Haagse beek rustig naar de Hofvijver, zoals zij dat al eeuwen doet. Ja, er is iets tussen het Vredespaleis en mij; soms vraag ik mij af waar ik werkelijk woon.

Aan deze mijmering komt een eind, wanneer ik mijn kleinzoon van 7 maanden uit de crèche ga halen; zijn ouders moeten vanavond beiden werken. Tot dusverre bekijkt hij mij zeer peinzend, alsof hij mij maar een merkwaardig fenomeen vindt in vergelijking met zijn ouders. Natuurlijk ben ik dat ook, maar ik ben bereid diep te gaan om zijn uiteindelijke instemming te verwerven en vanavond heb ik geen concurrentie van zijn ouders.

Donderdag

Ik was voornemens vandaag wakker te worden met de gedachte: nu ben ik rechter in het Internationaal Gerechtshof, maar het werd uiteindelijk een verwarde droom, waarvan ik al vijf minuten bezig was de zoekgeraakte eindjes aan elkaar te knopen voordat ik mij realiseerde: het is vandaag 6 februari, het begin van het werkjaar van het Hof en daarmee ook van mijn rechterschap.

Gisteren vroeg een journalist mij: denkt u niet dat u het recht beter zou dienen als mensenrechten-rapporteur van de Verenigde Naties dan als rechter? Ik kon hem antwoorden dat ik het eerste bijna acht jaar was geweest en dat je ook eens moet veranderen, maar zijn vraag blijft mij bezighouden. Zeker nu - bij een radio-interview vanmorgen - ik werd ingeleid met de opmerking dat het Hof zich pleegt bezig te houden met stoffige grensconflicten. Hieruit blijkt duidelijk dat de niet-ingewijde geen hoge dunk heeft van het Hof. En toch heeft het Hof zaken op de agenda staan die die niet-ingewijde hevig plegen te beroeren als zij op nationaal niveau spelen, als men op de voorpagina's van de kranten mag afgaan.

Om maar één voorbeeld te geven: het dilemma tussen economische vooruitgang en milieubehoud hier te lande is 'hot news', of het nu de Betuwelijn, de vijfde landingsbaan of de hogesnelheidslijn betreft. Het is datzelfde dilemma dat centraal staat in de eerste zaak waar ik mee te maken krijg, een geschil tussen Hongarije en Slowakije over de bouw van een dam voor de opwekking van energie in de Donau.

Het is fascinerend om in een samenleving als de internationale, waarin alles veel minder omlijnd is geregeld dan nationaal het geval is (en daar leidt het al tot zoveel opschudding), mee te mogen werken aan het verduidelijken en verfijnen van de geldende rechtsregels. Daar zijn naast de partijen bij het concrete geschil, ook toekomstige generaties mee gediend. Want belangrijker wellicht nog dan het beslechten van een concreet geschil is het aangeven van de richting waarin het recht zich zou moeten ontwikkelen. Een rechter maakt geen wetten, maar hij kan wel aan een op de toekomst gerichte benadering van het recht bijdragen. Dat geldt voor de internationale rechter zo goed als voor de nationale rechter.

En om nu gelijk maar een ander misverstand aan te pakken: de raadkamer van het Hof is geen bejaardensoos. De oudste rechter is 71 jaar (één jaar ouder dan de leeftijd waarop bij ons een lid van de rechterlijke macht zijn ambt moet neerleggen) en ik behoor met mijn 63 jaar tot de middenmoot. Bovendien, ouderdom staat niet gelijk met seniliteit.

Na dit wat apologetische betoog (een confrontatie met de media is altijd boeiend) terug naar de meer prozaïsche verslaglegging van vandaag. Het Hof is zijn werkjaar begonnen met het kiezen van een president (de Amerikaanse rechter) en een vice-president (de rechter uit Sri Lanka) en de regeling van werkzaamheden; belangrijke zaken, maar weinig tot de verbeelding sprekend. Hartverwarmend waren de zeer persoonlijke woorden waarmee de scheidende Algerijnse president, met wie ik als minister en later als voorzitter van de Carnegie Stichting veel contact heb gehad, mij welkom heette.

Vrijdag

Vanochtend een lange vergadering waarin de verschillende werkcomités werden samengesteld. Ik ben gekozen in het Budgettaire en Administratieve Comité; voorwaar geen sinecure in een tijd waarin het Hof deelt in de financiële misère van de Verenigde Naties. Hoe kun je bijvoorbeeld je werk behoorlijk doen, als er voortdurend bezuinigd moet worden op de voor een internationaal orgaan meest wezenlijke ondersteuning, namelijk die van vertalers. De toezegging van president Clinton een aanvang te zullen maken met de betaling van achterstallige bijdragen doet een sprankje hoop ontgloeien.

's Middags naar de 422ste verjaardag van de Leidse Universiteit, waarmee ik weliswaar de banden nu moet verbreken, maar toch niet helemaal. Dankzij een ingeving van mijn slimme echtgenote maak ik gebruik van het recht vervroegd uit te treden, zodat ik de status van emeritus-hoogleraar krijg. Volgens oude traditie begeeft een lange stoet in toga gehulde hoogleraren zich van de academie aan het Rapenburg naar de prachtige Pieterskerk waar de plechtigheid plaatsvindt. De weergoden zijn in een redelijk goede stemming, want de overtocht verloopt droog. Na het uiterst boeiende diescollege van collega Hans Franken over de onafhankelijkheid en de verantwoordelijkheid van de rechter (hoogst actueel op de dag van de uitspraak tegen de Hakkelaar), de rectoraatsoverdracht en de gebruikelijke receptie, blijken zij zich evenwel bedacht te hebben. Overal zie je door de smalle Leidse straatjes hoogleraren als verzopen zwarte katten heen en weer schieten.

Alhoewel het begrip 'universitaire gemeenschap' met de massificatie van het onderwijs een ietwat efemeer karakter heeft gekregen, voel je op zo'n middag toch duidelijk dat je er deel van uitmaakt.

Zaterdag

's Morgens vergadering van het Bestuur van de Nederlandse Vereniging voor Internationaal Recht, een bijeenkomst dus met vakzusters en -broeders. Het is de bedoeling dat ik er in de loop van dit jaar voorzitter van word; 25 jaar geleden ben ik dat ook geweest, maar het staatssecretariaat heeft er toen binnen een jaar een eind aan gemaakt. Ik krijg dus een herkansing.

's Middags naar Huizen. Jeanne heeft, behalve zichzelf (om wie het mij te doen was) een schier onafzienbare rij schoonzusters in ons huwelijk ingebracht. De jongste daarvan geeft een feest omdat zij en haar man samen 90 jaar zijn. Een zeer smakelijke Thaise maaltijd. Jeanne circuleert vol trots de foto's van onze jongste, in Zimbabwe wonende kleinzoon.

Zondag

's Morgens na lange tijd weer eens in de eigen kerk (een verkwikking voor de ziel), waarna we onze gebruikelijke zondagswandeling in één van Wassenaars prachtige parken maken.

's Avonds komt jongste dochter Adeline met vriend Stefan eten. Er wordt uitvoerig gepraat over hun plan om binnenkort voor enige tijd hun domicilie naar Zuid-Afrika te verleggen. Jeanne lijkt niet echt blij; twee kinderen op het zuidelijk halfrond lijkt haar wat veel van het goede. Maar ja, je bent jong en je wil wat.

Maandag

Vandaag een rustige dag waarop ik mij eens goed kan verdiepen in de dossiers van de zaak tussen Hongarije en Slowakije. Voor een pas benoemd rechter een echte werkdag, waarover in een dagboek echter weinig te melden valt. Ik kom tot de conclusie dat ik toch in de allereerste plaats jurist ben en voel mij gelukkig.

Het bericht komt binnen dat de nieuwe secretaris-generaal van de Verenigde Naties, Kofi Annan, op 3 maart (de dag waarop ik de plechtige gelofte zal afleggen) het Hof komt bezoeken.

's Avonds neem ik afscheid als voorzitter van de DRA, een noodhulporganisatie, die een paar jaar geleden is opgericht door een aantal structurele hulpverleningsorganisaties. Mijn nieuwe functie brengt met zich mee dat ik mij van alles wat maar enigszins politiek gevoelig kan zijn, verre moet houden en noodhulp is tegenwoordig (helaas) 'hot politics'. Directeur Paul Meys spreekt mij zeer hartelijk toe waarop ik met een knullig speechje reageer. Ik kan mensen die weg gaan heel mooi toespreken, maar als ik zelf afscheid neem weet ik mij geen houding te geven en zou het liefst door de zijdeur vertrekken. Ik laat zelfs na te bedanken voor het zeer gewaardeerd afscheidscadeau; dat moet dus maar via de krant.

Wij gaan eten in een Turks restaurant (ik krijg zeer kosmopolitische eetgewoonten; zie zaterdag). Tot grote verrassing van de organisatoren maken twee buikdanseressen hun opwachting; dat was uitdrukkelijk niet bedoeld als afscheidsgeste. Paul laat zich tot een optreden op de dansvloer verleiden. Mij vinden de dames kennelijk te broos voor zo'n inspannende exercitie, want ze laten mij ongemoeid. Het ga de DRA, een onmisbare organisatie met zeer gemotiveerde medewerkers, goed!

Dinsdag

Van tien uur 's morgens tot half zeven 's avonds vergadering van het begrotingscomité. Het is schaatsen op de vierkante centimeter.

Men klaagt - niet ten onrechte - dat het Hof zo traag werkt, maar als je je werkwijze wilt veranderen, moet je daarvoor wel de middelen hebben.

Woensdag

De morgen is gereserveerd voor Leiden, waar ik nog een aantal zaken heb af te handelen. Het weerzien van staf en secretariaat doet mij eens temeer beseffen dat ik niet met vreugde de Leidse deur achter mij dichttrek. Ik lever de cijfers in voor de werkstukken die ik deze week nog heb moeten beoordelen. Eén daarvan is zo helder, zo goed gedocumenteerd en zo overtuigend beredeneerd, dat ik vurig wens dat ik het zelf geschreven had. Voor de vierde maal in mijn universitaire loopbaan geef ik een tien. Het omgaan met studenten heeft mij nooit verveeld en zelfs - zoals bij het lezen van zo'n werkstuk - geïnspireerd; maar ik besluit niet te zeuren, want de bijl van het pensioen zou toch over anderhalf jaar zijn gevallen.

Als op het spreekuur van een dokter volgt een reeks gesprekken met promovendi en stafleden. Met Hildur Graafland, de secretaris van het College van Decanen, wordt de datum van het afscheidscollege vastgesteld: 6 juni; D-day, zegt Hildur bemoedigend.

Terug in het Vredespaleis komt de Bulgaarse ambassadeur zijn opwachting maken. Wij hebben een lang gesprek over de recente ontwikkelingen in zijn land, dat nog weinig profijt heeft getrokken van de politieke veranderingen in Europa; vrijheid in bittere armoede smaakt nog altijd niet lekker. Maar er gloort nu toch enige hoop op wat meer stabiliteit.

's Avonds zet ik mijn culinaire wereldreis voort. De zojuist afgetreden president biedt een aantal leden van het Hof met partners een maaltijd van eigen bodem (Algerije) aan; gelukkig alles zeer informeel.

Wij komen thuis in een ijskoud huis - de verwarming heeft het af laten weten. Een telefoontje naar de onderhoudsfirma biedt redding; de baas zelf zal onmiddellijk komen; wie zegt dat er in Nederland geen dienstverlening meer bestaat? Als opmerkelijk snel de bel gaat, trekt Jeanne de deur open met de woorden 'wat fijn dat u nog even kunt komen' en kijkt in het stomverbaasde gezicht van een van de medewerkers van het Hof die nog stukken komt brengen voor de vergadering van morgen. Vijf minuten later komt de echte redder in nood en ik krijg een lesje verwarmingstechnologie voor beginners.

Donderdag 13 februari

Ik geef de tekst van dit dagboek aan Charlotte. Een nieuwe secretaresse is altijd een spannend avontuur, maar ik heb het gevoel dat dit avontuur wel goed zal aflopen.

Ik blik terug op de afgelopen week, realiseer mij dat deze alles behalve karakteristiek is voor de normale werkweek van een rechter van het Hof