Hoeveel is een vakantiedag straks in de verkoop waard?

Tot voor kort was het cliché alleen voorbehouden aan fabrieksdirecteuren. Banjerend door de assemblagehal, het personeel aansporend tot grotere arbeidsproductiviteit, brulden ze: “tijd is geld”. Sinds vorige week kunnen werknemers het de werkgevers nazeggen. Tijd, ongebruikte vakantiedagen om precies te zijn, is geld waard.

Werkgevers en werknemers zijn het in de Sociaal Economische Raad (SER) eens geworden over de mogelijkheid om vakantiedagen boven het wettelijke minimumaantal van twintig om te zetten in geld. Maar hoeveel is een vakantiedag waard? Een full-timer werkt ongeveer tweehonderdvijftig dagen per jaar. Eén dag is daar een viertiende procent van, dus de waarde van een ongebruikte vakantiedag zou ten minste 0,4 procent van het jaarloon moeten zijn. Voor iemand met een modaal inkomen betekent dit dat een vakantiedag bruto zo'n 220 gulden waard is. Dat is een te simpele voorstelling van zaken. Een vakantiedag is schaars en zal voor werknemers meer waard zijn dan een gewerkte dag. Zeker als er maar twintig vakantiedagen overblijven, tegenover de 230 dagen die iemand per jaar moet werken. Een uitzondering is de docent in het hoger onderwijs. Zijn CAO is de enige in Nederland die in zoveel vrije dagen voorziet dat de docent meer dagen thuis zit dan op het werk.

Hoeveel de verkoop van een vakantiedag oplevert, moeten werkgevers en vakbonden straks onderling per CAO uitmaken. Bij dezelfde onderhandelingen zal ook het alternatief voor 'loon-naar-vakantie' worden betrokken: het opsparen van alle vakantiedagen.

Nu mogen niet-gebruikte vakantiedagen (boven de wettelijke twintig dagen) maximaal twee jaar worden meegenomen. Het SER-voorstel gaat uit van een verlenging van deze termijn tot vijf spaarjaren. Bovendien staat het de CAO-partners straks vrij om een kleinere basisvakantie dan de huidige twintig dagen af te spreken.

Stel dat de werkgevers en werknemers in de zuivelverwerkende industrie overeenkomen dat elke werknemer recht heeft op 25 vakantiedagen, waarvan hij er ieder jaar ten minste vijftien op moet nemen. Dan kan de melkboer eerst vijf zomers achter elkaar drie weken met de caravan naar Zeeland, om in het zesde jaar de caravan op de trekhaak te gooien en er bijna vier maanden tussenuit te gaan.

Een klein aantal CAO's voorziet nu al in de mogelijkheid 'verlofdagen' in te wisselen voor geld. De term vakantiedagen wordt vermeden, want het verkopen van die dagen is op dit moment nog verboden. Evenals in het SER-voorstel mogen werknemers onder die CAO's er ook voor kiezen om de verlofdagen op te sparen. En wat blijkt: 'tijdsparen' is veel populairder dan verkopen. Het bevestigt de indruk van arbeidsmarktonderzoekers die schatten dat bijna de helft van alle werknemers er wel voor een langere tijd tussenuit wil.

Om dat te realiseren hoeven niet alleen vakantiedagen gespaard te worden. Ook dagen die overschieten omdat veertig uur wordt gewerkt terwijl de officiële werkweek 36 uur bedraagt kunnen over een langere periode worden opgespaard. Zo mogen ambtenaren maximaal zeven jaar lang jaarlijks twintig van ATV-dagen opsparen om de werkplek vervolgens voor driekwart jaar de rug toe te keren. Dat is ook prettiger voor de achterblijvers. Nu moeten zij de korte vakanties en incidentele ATV-dagen van de bruinbakkende collega's opvangen. Maar als de ATV of opgespaarde vakantiedagen in één lange periode wordt opgenomen, is de kans aanzienlijk groter dat de werkgever er een vervanger tegenaan gooit. Per slot van rekening moet de fabriek doordraaien, want tijd is geld.