Het circus van de mobiliteit

Onder dit stukje staat dat ik socioloog ben. Dat is een toevoeging van de redactie, die vindt dat de lezer moet weten wat voor vlees hij in de kuip heeft als er op deze pagina een mening verkondigd wordt. Hij kan dan vervolgens zelf beslissen of het geschrevene wel of niet de moeite waard is.

Een begrijpelijk standpunt. Onze tijd staat nu eenmaal in het teken van de personalia. Wie wat zegt is meestal belangrijker dan wat er gezegd wordt. Ik zal daar verder niet over zeuren. Wat mij meer bezighoudt is de vraag of de redactie gelijk heeft. Ben ik wel een socioloog?

Sinds ik twintig jaar geleden afstudeerde heb ik daar niet aan getwijfeld. Op de gebruikelijke mistige momenten na, waarin de zin van het bestaan mij even ontschoten was, hield ik altijd een helder beroepsbeeld voor ogen. Juist omdat ik socioloog was, kon ik mijn existentiële twijfels in een breder kader plaatsen. Dat hielp enorm.

Ook in de maatschappij bewees mijn vak zijn waarde. Bij de verschillende onderwijsorganisaties waar ik mocht werken, werd mijn kennis zeer op prijs gesteld. In die twintig jaar heb ik duizenden studenten sociologisch wegwijs gemaakt in het doolhof van onze samenleving. Het brede perspectief werkte ook hier. En tot ieders tevredenheid. Het ging allemaal ook zo makkelijk en vanzelfsprekend, omdat het vak in al die jaren nauwelijks veranderde, en de samenleving zelf ook niet. Er kwamen wat groepen bij, en er gingen er een paar vanaf, meer niet.

Dat was achteraf gezien nogal kortzichtig. Want er veranderde weliswaar niets wezenlijks in de maatschappij, maar wel iets in de hoofden van mijn superieuren. Terwijl ik rustig mijn mooie vak doceerde, vatte bij hen de gedachte post dat de samenleving een stuk dynamischer moest zijn dan de socioloog zo netjes op het schoolbord uittekende. De wereld buiten bezat volgens hen juist geen samenhang.

Het was een lawaaierig slagveld waar ieders kansen voortdurend keerden, waar man-tegen-man gevochten werd, en waar overleven alleen mogelijk was als de grootst mogelijke inzet gepaard ging met de grootst mogelijke moed. In die wereld moesten zij hun organisatie overeind houden. En op die wereld moesten zij hun studenten voorbereiden.

Waar zij deze overpannen visie op baseerden wist en weet ik nog steeds niet, maar het resultaat was dat men onlangs in een soort crisisberaad onder leiding van een externe adviseur besloot om de aanwezigheid van een socioloog niet langer te dulden. Mij werd te verstaan gegeven dat ik mij “fundamenteel moest herbezinnen op mijn bijdrage aan het primaire proces”.

Vanaf dat moment mocht ik mijzelf ook geen docent meer noemen. Voortaan zou ik “een professional in een kennisintensieve organisatie” zijn. En de belangrijkste opdracht bestond uit “het coachen van leerprocessen”. Deze missie werd de overlevingsstrategie van de hele organisatie, zo was besloten

U begrijpt, als je zoiets overkomt na twintig jaar probleemloos lesgeven, is dat even slikken. Mijn mooie vak zomaar meegeven aan de eerste de beste onderwijsconsultant die het schoolbestuur kon inhuren, doet wel een heel groot beroep op mijn relativeringsvermogen.

En bovendien, coach...? Hoeveel vruchteloze jaren bijscholing zijn er niet nodig om mijn managers ervan te overtuigen dat een onsportieve en bedeesde figuur als ik zo'n assertief beroep nooit onder de knie kan krijgen? Ik mag dan veel van de samenleving afweten, de benodigde sociale vaardigheden om daarin vooruit te komen, heb ik er nooit bijgeleerd. Anderen daarin gaan trainen, zou van een koddige overmoed getuigen.

Gelukkig sta ik op dit twijfelachtige moment in mijn carrière niet alleen. In mijn kennisintensieve organisatie blijkt er een afdeling te bestaan waar ik terecht kan met al mijn vragen en onzekerheden. Dat is de afdeling Human Resources. De professionals die daar werken doen niets liever dan coachen. Vooral medewerkers die in hun loopbaan een beetje stukzitten. Met behulp van aangepaste trainingen en oefenschema's krijgen ze hen weer volop in de race.

In mijn geval werken ze op dit moment aan de mobiliteitsbereidheid. Ik moet loskomen van mijn oude vak. In plaats daarvan moet ik “mijn bekwaamheden op het niveau van de organisatie verhelderen”. Als dat lukt, zal ik volgens mijn begeleiders in het nieuwe onderwijsbedrijf weer moeiteloos meedraaien en als professional overal ingezet kunnen worden waar een leerproces dreigt vast te lopen.

Zover is het nog niet. Mijn mobiliteitsbereidheid is nog extreem laag. Ik verkeer nog in fase 1 van het schema dat mijn coach heeft opgesteld. Dat is de 'ik kan niet en ik wil niet'-fase. Uiteindelijk moet ik in de 'ik kan en ik wil'-fase terechtkomen. Of dat via de 'ik wil, maar ik kan niet'- of de 'ik kan, maar ik wil niet'-fase zal lukken, is op dit moment nog zeer onduidelijk.

Vooralsnog wordt ik bij mijn trainingsarbeid zwaar gehinderd door mijn sociologische bril. Overal om mij heen zie ik lotgenoten door het Nederlandse arbeidsbestel joggen. Vele tienduizenden professionals, die, beroofd van hun kennis en hun verleden, vaardigheden op organisatorisch niveau aan het intrainen zijn. Het geschreeuw van de personeelsmanagers is niet van de lucht.

Bij dit mobiliteitscircus blijf ik liever aan de kant staan. Als socioloog wel te verstaan, en zolang het nog kan.

Overal om mij heen zie ik lotgenoten door het Nederlandse arbeidsbestel joggen